Nieuwste onderwerp

BEGIN

illustratie: Mieke Stuiver, klik voor grotere versie

WESSEL - illustratie door Mieke Stuiver - CMYK 500 ppikopie

Kamerplanten

Ik woon hier al een jaar, maar nog steeds hangen mijn messen niet aan een messenmagneet, heb ik één kaal peertje om mijn slaapkamer te verlichten en geen enkele kamerplant. Ik denk vaak aan de uitspraak: “Niets is zo permanent als een tijdelijke oplossing.”
Ik hou van mijn huis, maar haat dat ik het mooi moet maken. Als ik in andermans huis kom en het gezellig aanvoelt, de kleuren bij elkaar passen, er lampen staan voor de sfeer en niet omdat er anders geen licht is, dan haat ik mezelf.
Niet heel mijn zelf, maar dat deel van mijn zelf dat niet ziet of blauw en bruin en grijs en geel bij elkaar passen of niet. Dat deel dat wel een nieuwe bank wil kopen, maar niet weet wat ‘de beste bank’ is en dus niets doet. Ik haat de ik die na een jaar nog geen enkele kamerplant heeft gekocht.

Het stomme is nog wel, ik hou van planten. Er is een foto van mij. Ik ben veertien jaar oud. Met de bleekste blote bast die een stadskind maar kan hebben, zo mager dat je mijn ribben kan tellen en met veel te grote modderige werkhandschoenen aan.
Zes maanden voor die foto had ik een veldje van twee bij vijf meter omgespit, veertig gaten gegraven en veertig aardappeltjes gepoot. Daarna wiedde ik onkruid, sproeide water en maakte dijkjes van aarde.
In de foto hou ik een kruiwagen vast met daarin de tweeëntwintig kilo aardappelen die ik in een middag had geoogst.
Die vakantie aten we ze elke avond anders. Gebakken, gekookt, gepoft, soep, taart.

Het gaat er ook niet om of ik van planten hou of niet. Ik wist dat dit ging gebeuren. Ik wen te snel aan hoe dingen zijn en voel daarna niet meer de noodzaak om ze aan te passen.
‘Het is toch goed zo?’ lieg ik mezelf voor. Of: ‘Ja, ik wil het wel veranderen, maar ik heb volgende week een tentamen dus misschien daarna.’ Maar na drie dagen bijkomen begint er een nieuw vak en vertel ik mezelf weer dat ik geen tijd heb.
Ik probeer te doen alsof het goed is, maar als ik in iemands prachtappartement kom en die steek van jaloezie voel, laat ik twee weken lang niemand meer in mijn huis toe. Ik schaam me voor hoe het er uit ziet en voel me schuldig omdat ik weet dat ik er niets aan ga doen.

Iemand stuurt me foto’s en vertelt hoe haar obsessie met kamerplanten het afgelopen jaar is gegroeid. Ik kijk om mee heen en zie een huis vol typemachines, maar in plaats van een excentrieke huiskamer lijkt het meer een opslagruimte.
Mijn brein maakt een rare kronkel en denkt dit: ‘Nu is het te laat. Als ik nu een plant koop, dan doe ik het niet omdat ik van planten hou en mijn huis gezelliger wil maken. Uit mezelf doe ik het niet, dat is wel gebleken. Dus dan doe ik het voor een ander.’
Diep van binnen denk ik namelijk dat, als mijn huis er niet leuk genoeg uitziet, mensen geen vrienden met me willen zijn. Die gedachte probeer ik dagelijks te onderdrukken omdat ik nog altijd niet weet wat ‘de beste bank’ is.
Als ik niets doe dan geef ik ten minste ook niet toe dat de kleding die ik draag of het gebrek aan groen in mijn huis invloed heeft op de eerste indruk die mensen van me hebben.
En dus gaan er weer maanden voorbij.

Ik ben jarig en een vriendin geeft me mijn eerste plant. Ik bedank haar schoorvoetend omdat ik niet toe wil geven dat ik het nodig heb, terwijl ik stiekem zó graag wil dat iemand me meeneemt naar het tuincentrum en aanwijst wat ik moet kopen.
Een paar dagen later komt mijn oudste jeugdvriend langs. Hij en ik praten niet veel en ik heb hem nog nooit verteld over deze gevoelens, maar hij is wel iemand die houdt van mooie dingen. Hij brengt twee planten voor me mee.
Nog een dag later krijg ik een cactus van een studievriendin.

Ik zoek op hoeveel licht, water en potgrond elke plant nodig heeft en ben blij met elk blad dat zich ontvouwt. De dam is gebroken en dus maak ik plannen. Ik zoek uit wat ik wil, schrijf een e-mail om te vragen of ik stoeptegels uit de straat mag halen en bel mijn moeder om te checken of ik geen cruciaal tuingereedschap vergeet.

Twee weken later zit ik op mijn knieën en schep ik zand uit een gat naast mijn deur. Twee blauweregens, één die lila zal bloeien en één wit, staan te weken en mijn plan is om ze met touw zo te leiden dat ze zullen verstrengelen alsof het één plant is. Over vijf jaar, als ik waarschijnlijk al lang ben verhuisd, zullen er plotseling uit die ene bos bladeren, twee verschillende kleuren bloemen bloeien en iedereen in de buurt zal zeggen: ‘Dat ene huis. Met die ene plant die bloeit in twee kleuren.’ En iedereen zal weten welk huis wordt bedoeld.
Aan de andere kant van mijn deur staat sinds gisteren een vlinderstruik en ook binnen zijn er zes nieuwe planten bij gekomen. Een aantal staan zelfs al in een mooie pot. Ik heb een plan om zelf een rek te bouwen zodat ik ze uit kan stallen en ze niet meer allemaal op mijn eettafel staan, maar of daar tijd voor is, moet ik natuurlijk nog maar zien.

‘Dat ziet er goed uit,’ hoor ik achter me. Het is mijn buurman. Mijn buurman is top. Hij werkt thuis en neemt dus altijd pakketjes voor me aan.
Na tien keer voor hun deur te hebben gestaan gaf ik hun dochter mijn prentenboek als dank en sindsdien maken hij en zijn vrouw soms een half praatje met me.
‘Wij dachten er ook over om zoiets te doen, het maakt de hele straat leuker. Anders is het zo kaal.’
Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen en leg dus het plan uit van de verschillende kleuren bloemen.
‘Ja, leuk hoor. Echt goed dat je dat doet.’
Ik grijns van oor tot oor.

Later zit ik aan mijn eettafel. Ik kijk om me heen in mijn woonkamer, die al iets minder op een opslagruimte lijkt. Het is nog geen huis dat me een steek van jaloezie op zou leveren, maar het is een begin.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Ender's Game, The Magicians

Wat luister ik?

Reply All, The Anthropocene Reviewed

Wat schreef ik?

'Het Geheugen van een Olifant', prentenboek met Jan Jutte, uitgeverij Lemniscaat (2018), 'Naar Bed Gaan is Gedoe', prentenboek met Marieke van Ditshuizen, uitgeverij Volt (2020)

Quote

What should young people do with their lives today? Many things, obviously. But the most daring thing is to create stable communities in which the terrible disease of loneliness can be cured.