Nieuwste onderwerp

BEGIN

illustratie: Luuk van Zon, klik om te vergroten

DAVID - Luuk van Zon illu klaar

 

Beginnen met leven: een inleiding

Hendrik Plasgaert was alleen, al drieëntwintig jaar werkzaam op afdeling parkeervergunningen bij de gemeente Veenduinerbosch. Hij had zijn korfbal en zijn modelbouw-vliegtuigjes, verder niets. Zijn kleren waren allemaal grijs en beige, zijn haar was al vroeg grijs, zijn haargrens wijkend, zijn gelaat een van de vele.

Toen Hendrik op de ochtend van zijn zevenenveertigste verjaardag zijn tanden stond te poetsen, zag hij in de half beslagen spiegel zijn steeds ouder wordende gezicht. Niet een gezicht dat, zoals hij het zelf omschreef, geleefd had.

Die dag besloot hij niet naar zijn werk te gaan maar iets te doen dat opzien baarde, zodat hij niet langer onopmerkelijk was, maar een man die het verdiende opgemerkt te worden. Hendrik zou gaan lopen, naar Spanje, naar Santiago de Compostela. Een prestatie die vroeger aanzien verschafte, maar tegenwoordig vaak vervangen wordt door een cursus mindfulness.

Het duurde enkele dagen voor hij de Belgische grens had bereikt. Vlak voor hij de Maas over stak werd hij gebeld door Jojanneke, zijn collega van de afdeling parkeervergunningen en de meest constante vrouwelijke aanwezigheid in zijn leven. Ze vroeg hem wanneer hij terug zou komen, zonder hem duurde het veel langer om alle aanvragen te behandelen. Hendrik antwoordde dat hij dat niet wist. Het lopen zou wel even duren, zei hij. Pak aan, dacht hij, zou ze eindelijk eens door moeten werken.

Ik kwam Hendrik tegen in Vézelay, een klein dorpje in de Bourgogne, volgens mij behoorlijk uit de route als je naar Compostela moest. Ik kende het goed, het is een typisch ruraal Frans dorpje, als een filmset uit lang vervlogen tijden. Het ligt op een berg, en de dorpsweg loopt slingerend omhoog, richting het dorpsplein waar de abdij staat. Langs die slingerende weg huisjes van zandsteen met houten luiken waar de verf vanaf bladert, balkonnetjes met gietijzeren relingen. Tegen sommigen gevels groeit klimop.
Bovenop de berg staat de oude abdij, een kolos die letterlijk en figuurlijk een schaduw over het dorp werpt. Veel te groot voor het dorp dat een kleine vijfhonderd inwoners telt.

Mijn moeder overleed in een dorpje hier enkele kilometers vandaan, het dorpje waar ze vandaan kwam. Het Franse platteland liep massaal leeg, maar zij ging terug. Van de Nederlandse polder naar de Bourgogne. Ze bezocht de kerk blijkbaar dagelijks, wekelijks toen ze minder goed ter been werd, toen ze ziek was kwam ze er  nog maar een enkele keer.
Boven de houten deuren van het middenschip is een gigantische christelijke voorstelling uitgehakt, een van de grootste die nog intact is. Heel oud, twaalfde eeuw, Romaanse stijl. Toen ik het voor het eerst zag een aantal jaar geleden vond ik het typisch middeleeuws, de proporties van de mensen klopten niet en de Christus zit in een onmogelijke houding. De tand des tijds was niet voor alle uitgehakte figuren even aardig geweest. Sommigen misten hun hoofd, anderen ledematen. Ik bezocht de kerk nog een laatste keer voor ik vertrok, ik wist niet zeker of ik ooit nog terug zou komen.
Er zijn altijd wel bezoekers, meer toeristen dan gelovigen. Van een afstandje zag ik Hendrik staan. Wat is dat toch met Nederlanders, zijn we een zeldzame diersoort, die elkaar altijd herkent in vreemde gebieden? Hij stond bij het altaar te kijken naar de gotische bogen, toegevoegd in een latere eeuw.

Ik zat op een van de stoelen, normaal gereserveerd voor toegewijde kerkgangers, en ik observeerde hem. Dun, lang, kalend, het voorhoofd rood door de Franse zon. Hij merkte mij op, lachte naar me zonder zijn tanden te laten zien. Ik deed hetzelfde. Op dat teken kwam naar me toe.
‘Ook een Nederlander?’ vroeg hij, op zachte toon.
‘Ja, typisch toch, in ieder oord, hoe desolaat ook, kom je wel iemand van ons tegen.’
‘Mooie omschrijving, desolaat.’ Hij wees naar de stoel naast mij. ‘Mag ik?’
Ik knikte. ‘Bent u op reis?’
Hij ging zitten en begon te vertellen over Compostela, zijn tocht. Hoe hij besloten had een traditionele route te nemen en nu van abdijkerk tot dorpskerk liep. Hij noemde de kerken die hij had bezocht, die in Reims, in heel veel dorpjes in de Champagne, een klein middeleeuws kerkje in Bar-sur-Aube waar het ondanks de onmogelijke hitte van die dag koel was.
‘Waarom Compostela?’ vroeg ik. ‘Vanwege je religie?’
Hij antwoordde dat dat het niet was, niet bepaald, het bezoeken van al de kerken had voor hem niets met een bedevaart te maken. Hij vond de kerken mooi, dus hij wilde er zo veel mogelijk bekijken.
‘Maar waarom lopend?’
Rustig – Hendrik had een kalme, bijna lome stem – legde hij zijn beweegredenen uit. Hoe hij zich realiseerde dat hij in zijn leven weinig had gedaan dat het verdiende opgemerkt te worden.
Ik was even stil. ‘Je plan is in zekere zin geslaagd,’ zei ik, ‘ik heb je net opgemerkt.’

We praatten verder in een piepklein café aan de slingerende dorpsweg. Ik dronk, Hendrik dronk niet. Hij vertelde mij over zijn werk op de afdeling parkeervergunningen in de gemeente Veenduinerbosch, hoe hij op die bewuste ochtend besloot te vertrekken. Hij was naar de winkel gegaan, had gekocht wat hij nodig had en was gaan lopen.
Na het vierde glas wijn en de vijfde keer dat Hendrik ernaar vroeg vertelde ik waarom ik in Vézelay was. Tijdens nog een glas wijn vertelde ik over mijn moeder. Ik praatte, lang voor mijn gevoel, ik praatte alsof ik nog nooit zo lang aan het woord was geweest. De onwetende dorpelingen keken glazig op.
Hendrik legde zijn handen ineengevouwen op tafel en even zag hij er uit als een heilige, daar in dat Franse equivalent van een bruin café. ‘Misschien heb je het niet altijd gemerkt, maar je moeder moet van je gehouden hebben. Ook al heeft ze je achtergelaten.’

Ik dronk nog een glas, Hendrik vertelde over de rest van zijn tocht en voor de vorm wisselden we gegevens uit.
Gedurende de hele autorit terug naar Nederland, een dag later, knaagde het aan me dat ik bij een wildvreemd het hart zo op de tong had gehad.
Bij thuiskomst zocht ik het op: blijkbaar was Vézelay vroeger een belangrijke plek op de route naar Santiago de Compostela. De hele nacht las ik wikipediapagina’s, en de UNESCO-lijsten met oude kerken op de pelgrimsroute gingen maar door. Hendrik moest er meerdere bezocht hebben, in Bourges, Noblat, Limoges, Périgueux.
Ik had  Hendrik mijn telefoonnummer en adres gegeven, maar hij moest met honderden mensen gepraat hebben, ik dacht niet dat hij nog aan mij zou denken. Niet lang nadat ik alles over Compostela had gelezen, kreeg ik een kaart van hem. Het was een foto, zijn grote voorhoofd roodgeblakerd door de zon, voor de kathedraal in Santiago.
Goed gedaan, dacht ik, trots op je, Hendrik, inderdaad een opmerkelijke prestatie. Ik legde de kaart in de bovenste la van mijn bureau, samen met de laatste brieven van mijn moeder, die ze mij tot aan haar laatste dagen schreef. Ik klapte mijn laptop open en zocht op hoe ver Vézelay lopen was vanaf de Nederlandse grens.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Maxim Gorki, Jack Kerouac, Joost de Vries, Marguerite Duras

Quote

“Florals? For Spring? Groundbreaking.” -Miranda Priestly.