Nieuwste onderwerp

Celan (6)

Hoewel hij ook Frans, Roemeens, Engels, Hebreeuws en Russisch sprak, en hoewel hij in zijn jeugd wel in het Roemeens geschreven heeft, moest hij, zei Celan steeds zelf, in het Duits schrijven. Hij kon alleen een Duitstalige dichter zijn, schrijven in zijn moedertaal. Omdát het zijn moedertaal was: zijn moeder had hem de Duitse schrijvers aangereikt, had erop gestaan dat Duits de huistaal zou zijn.

“Ik wil u zeggen,” schrijft hij in ’46 aan een redacteur die enkele gedichten zal publiceren, “hoe zwaar het is als Jood gedichten in de Duitse taal te schrijven. Wanneer mijn gedichten verschijnen, zullen ze ook Duitsland wel bereiken en – laat me het gruwelijke zeggen – de hand, die mijn boek openslaat, heeft misschien de hand gedrukt van degene, die de moordenaar van mijn moeder was … Of erger nog. … Maar mijn lot is deze: Duitse gedichten te moeten schrijven.”

Müttersprache–Mördersprache, dat vat het gruwelijke samen.

Tussen de nagelaten gedichten bevindt zich ook een gedicht aan zijn moeder, ‘Wolfsboon.’ Een fragment:

(Ver, in Michailovka, in
de Oekraïne, waar
ze mijn vader en moeder doodden: wat
bloeide daar, wat
bloeit daar? Wat voor
bloem, moeder,
deed jou daar pijn
met haar naam?

Want jij, moeder,
zei wolfsboon, niet
lupine.

En verderop:

Moeder, ze zwijgen.
Moeder, ze dulden dat
de laagheid mij lastert.
Moeder, niemand
valt de moordenaars in de rede.

Ik kende het gedicht al, maar nu doet het me denken aan een brief die ik de afgelopen week pas las, waarin Celan reageert op een recensent die zich negatief uitliet over Celans inmiddels bekendste gedicht, ‘Todesfuge’ – een gedicht dat nadenkt, schrijft Celan, over “Auschwitz, Treblinka, Theresienstadt, Mauthausen, de moorden, de vergassingen.”

De recensent had het over een “grafisch” gedicht, “waarvan het geluid niet is ontwikkeld tot een punt waarop het betekenis kan krijgen.” Celan, schreef de recensent – die hem slordig noemde – nam “veel vrijheid met de Duitse taal.” Dat “kon aan zijn afkomst liggen.”

Wellicht dacht de recensent, omdat Celan al in Parijs woonde, en zijn eigenlijke achternaam, Antschel, hem waarschijnlijk onbekend was, met een Fransman te maken te hebben. Hij lijkt te hebben opgemerkt dat het tijd was zulke schrijvers te “ontmaskeren.”

Dat schoot Celan in het verkeerde keelgat; hij schreef de publicatie aan. Het gedicht weerklinkt in de opening:

“Gezien ik, zoals de zaken er in Duitsland nu eenmaal weer bijstaan, niet kan aannemen dat een van uw hopelijk talrijke lezers over de in uw publicatie verschenen bespreking van mijn gedichten (recensent: Günter Blöcker) dat gezegd heeft, wat gezegd moet worden, doe ik het zelf. Dat kan, zoals ook mijn grotere vrijheid met de Duitse taal – mijn Moedertaal – aan mijn afkomst liggen.

De brief werd niet geplaatst, maar doorgestuurd naar de recensent, die antwoordde niet te hebben geweten van Celans Joodse achtergrond.

Ik las ook een andere brief, geschreven in het begin van mei, 1939, die ik niet anders dan aangrijpend noemen kan:

Mama, mijn lieve, goede Mama,

Zondag is Moederdag, ik verheug me daar al lang op, nu kan ik deze brief schrijven.

Zoals ik hier woon, eenzaam en ongeduldig, en de meeste gewoonten van mijn hart heb moeten onderdrukken … is elke kleine reden om de alledaagse kant van het dagelijks leven te vergeten een kleine vreugde.

Zo staat deze brief, die jou op jouw dag, op Moederdag, zou moeten bereiken, me voor: als louter gevoel, dat jou toebehoort.

Vaak, als ik het gevoel heb dat mijn leven niet meer zinvol is, en een vreselijke traagheid me omcirkelt, weet ik me geen andere raad dan aan jou te denken. Als er briefen in mij zitten, zijn ze allemaal een roep om hulp, en wie hoort ze?

Maar nu is mijn brief enkel kalmte, omdat ik weet dat jij er bent, altijd.

Jouw
Paul

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Dickinson, Kafka, Celan

Wat kijk ik?

Jarmusch, Ozu, Sorrentino

Wat schreef ik?

Een zoon van (najaar 2020), In het vlees (2020), Het woedeboek (2018), Het leven zelf (2017), Constellaties (2014)

Quote

To die would simply be to surrender a nothing to the nothing. The meaning of life is that it stops.
Next week: Banoffee pie!
Tom Gauld, Baking with Kafka