Nieuwste onderwerp

Metgezellen

Ik ben met Paupau en Lena in het bos. Het is oktober. Sinds een halfjaar wonen we samen in een woongroep. Althans, sinds een halfjaar ben ik erbij komen wonen. Zij waren er allebei al.

Ik had altijd een romantisch beeld bij woongroepen. Een onprettig romantisch beeld, laat dat duidelijk zijn. Eentje waar ik absoluut geen onderdeel van wilde zijn, wegens sektarische taferelen. Samen handen vasthouden en antroposofische liederen zingen over de zon en de maan. Samen moestuinieren. Samen sit-ins houden alsof de jaren tachtig nooit voorbij waren gegaan. Samen de hele dag in huis in de natuurvoedingswinkel geur zitten. De geur van gedroogde vruchten en noten en zuurdesembrood. Samen veganistisch eten iedere avond. Samen een kombuchacultuur verzorgen. Samen over iedereens licht praten. Samen een goeroe hebben. Samen zonnegroeten doen ’s ochtends. Samen paddo’s kweken. Samen een wormenhotel starten. Samen en nooit alleen.

En toen belandde ik door omstandigheden in een woongroep en doe ik vrijwillig van alles met ze samen. Mijn woongroepfamilie, noem ik ze zelfs.

De mannen zijn vandaag op stap en dus ben ik er met de dames op uit getrokken. Ons huis en dakterras is groot, maar niet groot genoeg voor een herfstwandeling.

Zij dragen bergschoenen, dagrugzakjes en windjacks. Ik heb een kasjmieren trui aan en rubberlaarzen. Die trui was tweedehands, maar goed, als je me zo ziet lopen hoor ik er voor het oog absoluut niet bij.
‘Jullie lijken wel een ANWB-koppel,’ zeg ik.
‘En wie ben jij dan?’ zegt Paupau.
‘Jullie grote, opstandige kind dat niet mee op stap wilde,’ zeg ik. Ik ben de enige bewoner van de woongroep die nog geen dertig is.

Samen staan ze foto’s te maken van de routebeschrijving en met een kompas erbij te bediscussiëren welke kant we op moeten om op de Reuzenroute uit te komen. Ik ben het dichtstbijzijnde pad ingelopen en sta naar de opgestapelde gerooide boomstammen te kijken. De herfstzon valt zeldzaam warm tussen de bomen door en werpt een zonnestraaltje over de berg stammen heen. Er zweven kleine insectjes door de schijnwerper zonlicht.

Er komt een man met een klein wit met zwart hondje langs. We knikken elkaar toe. Hij blijft naast me stilstaan. Kijkt ook naar de boomstammen.
‘Hoe oud denk je dat ie is?’ zegt hij met een zwaar Amsterdams accent.
‘Die dode stapel boom?’ zeg ik.
‘Kobus,’ zegt hij, en knikt naar het hondje.
‘Aha,’ zeg ik en vraag me razendsnel af of er een categorie mensen is die het beledigend vindt als je de leeftijd van hun hond te hoog inschat. Of dat een ding is onder eenzame mensen die honden nemen in plaats van kinderen, wegens de grote hoeveelheid projecties van eigen emoties op het dier. De baas zelf is immers ook al wel een jaar of vijfenzeventig.
Ik kijk naar Kobus. Hij staat er wat triestig bij, hangt wat over naar één kant. Ik haal mijn schouders op. Wat weet ik uiteindelijk van honden.
‘Dertien,’ gok ik, want dat is volgens mij vrij oud voor een hond.
‘Doe dat maar keer twee,’ zegt de man, ‘Hij is vierentwintig.’
Dertien keer twee is geen vierentwintig, wil ik zeggen, maar dat doe ik niet.
‘Zo,’ zeg ik dan maar, ‘Dat is bijna even oud als ik.’
‘Ik hou van honden hoor,’ zegt hij, ‘Maar ook van vrouwen.’
‘O?’ zeg ik.
‘Maar vrouwen zijn net olifanten,’ zegt hij.
‘O?’ zeg ik nog een keer. Waar gaat dit gesprek in godsnaam heen.
‘Ze passen niet in je huis!’ hij giert van het lachen om zijn eigen grap. De lach wordt een slijmerige hoest. Kobus kijkt naar hem op. Ik stel me zo voor dat hij zich een beetje schaamt voor die rochelende man die meisjes aanspreekt om ze met olifanten te vergelijken. Kobus weet namelijk vrij zeker dat het niet aan die meisjes ligt dat het niet wil lukken voor zijn baas. Als iemand de man kent is hij het immers wel.
‘Over een tijdje liggen we daar he, Kobus?’ zegt de man, en wijst naar de modderige grond onder de boomstronken. ‘Ik heb in m’n testament laten opnemen dat onze as gezamenlijk verstrooid wordt naast een bospad zoals dit,’ zegt hij vertrouwelijk, ‘Dan kunnen we voor altijd samen vrouwtjes kijken.’
‘O,’ zeg ik.
‘We hebben allebei niet zo lang meer,’ zegt hij. Hij blijft glimlachen maar kijkt me niet langer aan. Zijn blik dwaalt af naar de boomstammen. Kobus zet een paar moeizame stapjes en drukt zich tegen zijn been aan.
Ik denk na over hoe een leven kan lopen. Dat er net zolang mensen om je heen wegvallen totdat je nog maar één metgezel hebt. Hoe je het soms ook niet voor het uitkiezen hebt wie er dan uiteindelijk overblijft. Zowel als mens als als hond.

Paupau en Lena komen aanlopen. De man schrikt op uit zijn overdenking en wandelt weg, alsof ons gesprek nooit heeft plaatsgevonden.

‘Dag,’ roep ik hem na, me realiserend hoe finaal dat klinkt.

 

 

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Etgar Keret, Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, The Neverending Story, Chicken run.

Wat schreef ik?

The Ballet of Service (documentaire, 2020). Traag naar de Hemel (documentaire, 2019). Anita's Roedel (documentaire, 2018). Onderbeds (korte film, 2015). Weekend Warriors (korte film, 2015).

Quote

'With everything I create I try to make people fall in love with humankind a bit more.' (Etgar Keret)