Nieuwste onderwerp

Utrecht (4)

Jochem heeft honger. Niet zomaar trek, of een flink rammelende maag, maar pijnlijke, schreeuwende, alles overheersende honger waardoor zijn buik zich naar binnen lijkt te keren. Hij is de hele Nobelstraat al afgegaan, heeft bij elke frietzaak aangeklopt en om eten gevraagd, haast gesmeekt. Nooit voelde hij zich meer een zwerver, een ordinaire bedelaar, maar de gapende leegte in zijn maag dwong hem zich daar niet druk meer om te maken. Hoe dan ook, het heeft niet gewerkt. Hij heeft niks gekregen.

De alcohol begint langzaam uit te werken, een stekende hoofdpijn dringt van achter in zijn hoofd naar voren. Een paar maten van hem waren een vrachtwagen tegengekomen die voorraad uitlaadde bij de Jumbo en zaten ’s middags aan de Maliesingel, elk met een krat Bavaria. Ze mogen Jochem graag, hij zoekt nooit ruzie, hij mocht met ze meedrinken. Eerst was het fijn, koud bier drinken op een hete zomermiddag met vrienden, of tenminste, soort van vrienden. Maar de nacht viel en het werd koud, de grote hoeveelheid bier maakte hem misselijk. Hij stommelde naar een steegje om over te geven en toen hij terugkwam, waren zijn maten weg, alleen de lege flesjes stonden nog kriskras om het bankje gestrooid.

Jochem sjokt in de richting van Janskerkhof. Daar verderop zijn nog een paar snackbars, misschien heeft hij dan meer geluk. Wat zou hij nu niet over hebben voor een friet met mayo! Dat is zijn favoriet, al sinds hij een klein jongetje was. ’s Zomers gingen ze vaak naar de Maarsseveense plassen, met z’n vieren op de fiets. Zijn vader voorop, daarachter Jochem en Ferry, en achteraan mama. Daar mochten ze de hele dag spelen en zo veel lawaai maken als ze wilden, het water in en weer uit en weer in, zonder dat zijn vader kwaad werd of schold of met deuren sloeg. Mama zat op een picknickkleed, haar broekspijpen opgerold tot net boven haar bleke, klei-achtige knieën, met een tijdschrift in haar hand en een zeldzaam glimlachje rond haar mondhoeken. Na afloop, als ze uitgedroogd, met bonkende hoofden en rode schouders weer op de fiets zaten, gingen ze langs de snackbar aan het einde van hun straat en altijd, zonder nukkig gebrom over hoe duur het weer was geworden, mocht Jochem een friet met mayo.

Hij vraagt zich af of de snackbar er nog zit. Of Ferry er wel eens heen gaat, met zijn vrouw en kinderen. Of Ferry nog altijd een berenklauw neemt. Hij weet het niet zeker, maar hij hoopt van wel.

Groepjes uitgaande studenten staan verspreid over Janskerkhof, hun hoofden naar elkaar toe gebogen, leunend op schouders en fietsen. Jochem wil doorlopen. Soms wil een dronken student in een gulle bui hem nog wel eens wat kleingeld toestoppen, maar het is nog te vroeg. Overal waar hij kijkt, zijn achterhoofden.

‘Anouk, hierzo!’

Jochem draait zich om in het richting van de schreeuw. Vlakbij het standbeeld van Anne Frank staan de twee meiden die hij vanmiddag op het terras heeft aangesproken. Het derde meisje, het meisje dat zo lang zat te twijfelen met haar tasje in haar hand, komt aanlopen, duidelijk dronken maar eerder zwevend dan wankelend. Een lange jongen heeft zijn arm om haar schouders geslagen, zij klemt een Turkse pizza in haar handen.

Hij weet niet wat zijn benen in beweging zet – het feit dat het meisje eerder die dag zo bereid leek hem te helpen; de snauwende trut die haar ervan weerhield; of gewoon de geur van warme knoflooksaus op vlees – maar opeens staat hij voor het groepje.

‘Hallo – kennen jullie me nog? Weet je nog, vanmiddag? Ik heb honger. Mag ik een hapje?’

Alle vier staren ze hem aan, maar hij ziet dat Anouk hem herkent. Haar mond is half open, de pizza hangt ter hoogte van haar kin stil in de lucht, over haar korte vingers druipt knoflooksaus. Dan begint de blonde met het scherpe gezicht te krijsen.

‘Gatverdamme, dat is die zwerver van het terras! Hij stalkt ons!’

‘Ik heb honger, gewoon honger. Mag ik een hapje? Alsjeblieft?’

Anouks ogen zijn groot en wazig, maar ze zegt niks. Ze knijpt alleen nog iets harder in haar Turkse pizza, de aluminiumfolie kraakt. Jochem weet zeker dat ze het niet erg zou vinden om met hem te delen. Hij zet een stap in haar richting.

‘Laat haar gewoon met rust, maat. We hebben niks voor je,’ zegt de lange jongen. Hij heeft nog steeds zijn arm om haar schouders en trekt haar een beetje naar achter.

‘Alsjeblieft, ik heb honger. Gewoon honger. Eén klein hapje.’

Achter de rug van de jongen laat Anouk haar greep om de pizza verslappen. Eén hand valt langs haar lichaam. Zie je wel, ze wil hem wat geven, dat wilde ze vanmiddag al! Jochem strekt zijn arm naar haar uit, klaar om haar gift in ontvangst te nemen, maar hij voelt alleen een harde, doffe stomp op zijn borst en dan een scherpe pijn in zijn achterhoofd.

Hij ziet niks dan de zwarte zomerlucht vol sterren. Zijn nek is nat en warm, iemand vraagt in een hoge stem of ze een ambulance moeten bellen.

‘Nee man, straks krijgen we gezeik. Laten we gaan.’

‘Is hij dood?’

‘Tuurlijk niet, dat zie je toch? Kom – kom méé.’

Als hij zijn ogen weer opent, zijn de stemmen weg. Het kan niet veel later zijn, de hemel is nog onveranderd, maar er staat niemand meer bij hem. Jochem draait zijn hoofd een kwartslag, pijn schiet van zijn kruin tot tussen zijn schouderbladen. Hij ligt bij Anne, tegen haar voetstuk aan. Dat troost hem iets, het is één van zijn favoriete plekjes in Utrecht om te zitten. Jochem weet nog dat zijn moeder hem hier een keer mee naartoe nam op vijf mei. Hij moet heel jong zijn geweest, Ferry zat nog in de kinderwagen. Ze mochten zelf geplukte bloemen aan haar voeten neerleggen.

Jochem sluit zijn ogen en denkt aan de warme hand van zijn moeder in zijn nek.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

(Momenteel) Persuasion - Jane Austen

Wat luister ik?

Van alles, maar vooral The Beatles

Wat kijk ik?

The Godfather & Midnight in Paris

Quote

"A word after a word after a word is power" - Margaret Atwood