Nieuwste onderwerp

Utrecht (3)

Hamid leunt met één bil op de toonbank, zijn bovenlichaam zo gedraaid dat hij het kleine tv-scherm kan zien dat in een hoek van het plafond hangt. Een Iraanse nieuwslezer – grijs pak, getrimde baard, het haar met gel naar de zijkant geduwd – is een onhoorbaar nieuwsbericht aan het voorlezen. Over zijn stille pleidooi heen klinkt een Nederlands rapnummer uit de bluetooth-speaker die op de koelkast met blikjes drinken staat. Van zijn vader mag Hamid eigenlijk niet naar het nieuws kijken tijdens werktijd, dat schrikt klanten af. Maar het is middernacht, de eerste dronken studenten zullen over een paar uur pas binnen strompelen, met half gesloten ogen over de toonbank hangen en een kapsalon bestellen. Na sluitingstijd is Hamid altijd een kwartier bezig om vette vingerafdrukken van de glazen vitrine af te poetsen.

Er klinkt onregelmatig gestommel op de houten trap, die van achter in de snackbar naar de woning er boven loopt. Hamid zet de tv uit. Zijn vader, kromgebogen, zwaar ademend, schuifelt door het kraaltjesgordijn dat de zaak afscheidt van het privégedeelte erachter.

‘Hoe gaat het hier, jongen?’ Hij heeft Hamid vast bij zijn ellenboog, meer om zichzelf staande te houden dan als vaderlijk gebaar.

‘Goed. Wat doe je beneden, pa? Kan je niet slapen? Heb je pijn?’

Zijn vader wuift de vragen weg, zet zijn geschuifel door naar de dichtstbijzijnde tafel en neemt eraan plaats. Als hij gaat zitten, ontsnapt er uit zijn mond een diepe, kreunende zucht, als een overreden dier waar nog een andere auto overheen walst, het laatste restje lucht eruit perst. Hamid dwingt zichzelf om niet naar hem te kijken en begint bevroren berenklauwen recht te leggen in de vitrine.

‘Het wordt wel drukker,’ zegt zijn vader na een tijdje, alsof Hamid daar zorgen om heeft geuit.

‘Natuurlijk. Het is nog vroeg.’

Toen Hamid jonger was, was hij jaloers op klasgenootjes die in grote huizen woonden met een tuin, wiens vaders in BMW’s en Audi’s reden. Nu benijdt hij zestigers die met vervroegd pensioen gaan, elke woensdagochtend naar de sportschool fietsen voor een uurtje aqua-aerobics, met hun kleinkinderen voetballen. Zijn eigen vader kent hij niet anders dan krom, werkend, krimpend.

Hamid kijkt naar buiten, langs de opgeplakte letters die in spiegelbeeld ‘Snackbar Teheran’ spellen, het hoekje van de T begint los te laten. Aan de overkant van de straat loopt een figuur in een lange jas. Hij zigzagt van de ene kant van de stoep naar de andere, wankel, een paar keer stapt hij van de stoeprand in de goot en valt bijna de weg op. Een fietser moet voor hem uitwijken en steekt zijn middelvinger op. De figuur lijkt het niet te merken. Hamid vloekt zachtjes.

‘Daar heb je die zwerver weer.’

De man in de lange jas stopt bij Cafetaria Anders, schuin tegenover hun eigen snackbar. Hamid kan alleen zijn rug zien.

‘Hij bedelt weer om eten, pa, zie je dat? Hij staat bij Peet aan het raam. Straks komt hij weer naar ons toe, als hij daar niks krijgt.’

Hamid klakt hard met zijn tong. Het gebeurt vaker op uitgaansavonden, daklozen die snackbars langs gaan in de hoop dat er wat restjes zijn. Soms, rond sluitingstijd, als er afgekoelde friet over is die anders toch weggegooid wordt, geeft hij wel eens wat. Hij is niet harteloos. Maar zo vroeg op de avond, zo brutaal, zo smekend – hij walgt ervan. Hoe weinig zelfrespect moet een mens hebben om zo te bedelen, als een straathond?

‘Als hij hierheen komt, geef hem dan iets.’ Zijn vader zegt het zacht maar ferm, zonder hem aan te kijken, zoals hij vroeger dreigde met straf als Hamid zijn huiswerk niet maakte. ‘Een pita kaas, een dönner, wat dan ook.’

‘Pa, dat kan hij toch niet betalen!’

Hamids vader staat op. Zijn knieën beven zichtbaar door zijn pyjamabroek heen, maar hij weigert zich vast te houden aan een tafel.

‘Nee, maar wij wel. Wij hebben geluk gehad. Hij niet. Geef hem iets, als hij erom vraagt.’

Terwijl hij weer naar boven verdwijnt, staart Hamid met opeengeklemde kaken naar de zwerver. Echt iets voor zijn vader om medelijden te hebben met dat soort types. Junks, alcoholisten, luie losers, de veroorzakers van hun eigen ongeluk. Pa snapt niet dat zij het makkelijker hebben dan hun eigen gezin het ooit heeft gehad. Voor hen zijn er opvangcentra, uitkeringen, het Leger des Heils, voedselbanken. Wat hebben zij gehad, behalve een verblijfsvergunning en de opdracht om goed Nederlands te leren, hard te werken, anders kan je het wel schudden?

De zwerver wordt weggestuurd. Hij strompelt de weg over zonder naar links en rechts te kijken, recht op Snackbar Teheran af. Hamid zet zich schrap, alsof hij een klap krijgt, of zelf iemand moet slaan. Zonder te aarzelen gaat de zwerver voor het raam staan, zijn knokige handen met lange, grimmige nagels plat tegen de ruit gedrukt. Hij gebaart naar Hamid, naar de snacks in de vitrine, naar de homp lamsvlees die aan een verwarmde spit eindeloze rondjes draait.

Hamid staat met zijn armen over elkaar en schudt zijn hoofd. De zwerver legt een hand op zijn maag en zegt iets, het is niet goed te verstaan, alleen het woord ‘honger’ glipt tussen het glas en de muziek door naar binnen. Hamid blijft staan, enkel zijn hoofd beweegt van links naar rechts. Al snel geeft de zwerver het op, Utrecht is groot, er zijn meer snackbars. Als hij wegloopt, blijven zijn handafdrukken achter op het raam.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

(Momenteel) Michel Faber

Wat luister ik?

Van alles, maar vooral The Beatles

Wat kijk ik?

The Godfather & Midnight in Paris

Quote

"A word after a word after a word is power" - Margaret Atwood