Nieuwste onderwerp

Appendixverhaal

 

Als je van me wegloopt, zul je lang en uitzichtloos dwalen.

Dat had hij gezegd. Of eigenlijk had hij dat niet echt gezegd. Hij had het haar nageroepen. Het gebeurde toen ze er al middenin zat, in dat weglopen. In de veronderstelling dat alles wel zo’n beetje was gezegd, was ze opgestaan, had ze haar spullen gepakt en zich richting de deur begeven. Haar hand lag al op de deurkruk, toen hij haar die woorden, verpakt als welgemeende wijsheid, had toegesmeten. Ze had niks gezegd. Ze had de deur geopend en aan de andere kant zachtjes, beleefd, weer achter zich dichtgetrokken. Beneden had ze hetzelfde gedaan met de voordeur. Daarna was ze op haar fiets gestapt. Toen ze de straat uit fietste, had ze nog één keer omgekeken naar het herenhuis waarin hij woonde – dertig vierkante meter, hoogslaper, eigen keukentje met een chronisch verstopte gootsteen en uitzicht op de stille, in Japanse stijl aangelegde binnentuin van het naastgelegen seniorencomplex. Ze had gedacht dat ze de kamer en het uitzicht zou missen. En hem, hem vooral.

Het was nu drie weken geleden dat ze uit zijn kamer was weggelopen en ze geloofde niet dat ze al aan de beloofde dwaling was begonnen. Eerlijk gezegd had ze geen flauw idee hoe die dwaling er precies uitzag. Hoe had hij dat bedoeld? Had hij een fysiek dwalen in gedachten; eenzame wandelingen door de stad, de druilerige herfsthemel boven haar hoofd en geen duidelijke eindbestemming voor ogen, geen geografisch aanwijsbare eindbestemming althans, maar natuurlijk wel die vaag-concrete wens om verlost te worden van de doffe, alomtegenwoordige pijn van haar liefdesverdriet? Of was het dwalen waar hij het over had een mentaal dwalen? Wilde hij haar behoeden voor het malen, de spijt, dag in dag uit denken aan hem? Misschien bedoelde hij wel allebei. Misschien waren die twee dingen wel onlosmakelijk met elkaar verbonden, konden het lichaam en de geest alleen hand in hand dwalen. Dan waren ze in ieder geval niet alleen. Als dat geen troostrijke gedachte was.

Toch wist ze: het kon nog komen, het dwalen. Ze was immers weggelopen en als ze hem moest geloven, was dat de katalysator die het dwalen in gang zou zetten. Het kon ieder moment beginnen. Vandaag, morgen, volgende week. Het ene moment zou ze nog een doel voor ogen hebben en het andere moment zou ze plompverloren en verward om zich heen kijken en zich afvragen hoe ze vanaf dat punt verder moest of terug kon gaan en dan zou ze weten: hij had gelijk – ik dwaal.

Maar voorlopig dwaalde ze niet en had hij ongelijk.

Ze gaapte. Ze stapte in bed en knipte haar nachtlampje uit. En terwijl ze dat deed, zag ze nog net hoe de belofte van een dwaling (ondertitel: Lang en Eindeloos…) op haar nachtkastje in het donker oploste.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Clarice Lispector, Maarten van der Graaff, Ali Smith, Olga Tokarczuk

Wat luister ik?

Julia Jacklin, MUNA, Big Thief, Rina Sawayama

Wat kijk ik?

Midsommar, My Favorite Shapes by Julio Torres, videoclips

Quote

'I want to swim to the bottom of myself and find the weirdest most special and pure shit that I can offer' - Aaron Maine