Nieuwste onderwerp

Dennis

 

We kunnen praten of seksen, zegt Dennis. Zijn hoofd staat schuin op zijn nek. Hij kijkt met een betekenisvolle grijns naar zijn bed. Hij heeft het vanochtend speciaal voor mij opgemaakt. Ik rook het al toen hij anderhalf uur geleden de deur van zijn kamer voor me openhield en ik binnenstapte. Als ik diep inadem, ruik ik het nog steeds.

Ja, zeg ik, we kunnen praten of seksen, maar we kunnen ook nog een spelletje spelen op je spelcomputer. Ik voel niets voor Dennis, maar hij heeft een spelcomputer en ik niet. We houden van dezelfde spellen. Daar zijn we vanmiddag achtergekomen. We rijden in kleurrijke racewagens door de woestijn, een winkelcentrum en een flipperkast, een kwaadaardig kasteel waarin een monster woont dat geheel bestaat uit steen en lava. We kunnen ook praten of seksen, Dennis en ik, maar liever scheld ik hem de huid vol, omdat hij me een paar meter voor de finishlijn inhaalt. Vieze, vuile kuthoer.

Hij kijkt me aan. Wil je dat?

Ik knik. Nog heel eventjes, zeg ik met een klein stemmetje.

Ik geef hem geen kans om nee te zeggen. Ik duik over zijn schouder, reik naar de controller in zijn rechterhand en druk op een witte, ronde knop in het midden. Er begint meteen een nieuw spel. Ik kan de tv niet zien, maar ik herken de tune die eruit stroomt. We worden verzocht om een personage en een voertuig te kiezen.

Dennis kust mijn wang. Daarna grijpt hij zijn controller stevig vast en richt zijn blik op de kleine, vierkante televisie.

Nog één wedstrijd, maar ik ga je niet sparen. Ik maak je in. Hij kiest Bowser en zet hem in een auto die lijkt op een duikboot. Bovenop de duikboot zit een vlieger. Ik kies, zoals gewoonlijk, voor prinses Daisy met haar mooie, oranje jurk. Drie piepen en dan het startschot. Daisy jammert en wappert met haar armen. Ze begint de race in een stinkende gaswolk. Ik laat haar bijkomen en stuur haar wagen dan behendig het oerwoud in. Ik maak korte bochten en maak via een modderpad een afkorting. Voor ik het weet, sta ik weer op de derde plek. Net achter Dennis.

Ik kijk even naar hem. Hij blijft onverstoord naar het scherm kijken.

 

Tegen half één maken we ons klaar om te gaan slapen. Dennis neemt me mee naar de badkamer. Ik rits mijn toilettas open, haal er mijn tandenborstel uit en steek hem in Dennis’ richting alsof het een zwaard is. Hij pakt de tandpasta en knijpt een kwak uit de tube. De kwak lijkt helemaal niet op de prachtige wit-rood-blauwe golf die je altijd ziet in tandpastareclames.

Ik steek de borstel in mijn mond en begin te schrobben. Dennis gaat achter me staan en legt zijn hand om mijn middel. Met een mond vol schuim vraagt hij wat ik morgen ga doen.

Ik haal mijn schouders op.

Weer mijn tanden poetsen, zeg ik. En dan ’s avonds nog een keer.

 

Dennis ligt naast mij. Dennis met zijn dennishanden, zijn dennisbenen met ijskoude dennisvoeten. In het midden van zijn dennislichaam een harige dennisborst vol dennisgeur. Hey? Psst… Dennis? Ben je wakker? Kun je alsjeblieft een stukje opschuiven? Ik heb ruimte nodig, ruimte voor mezelf. Ik ben klaarwakker. Ik kijk naar het plafond en hoor hem ademen – dennisadem. Ik denk aan iets anders, iets leuks, dobberend op dit dennisbed op deze denniszee en de klok tikt dennis, dennis, Dennis.

Ik sla het dennislaken van me af.

Ik loop op blote voeten naar het raam. De regen tikt tegen het glas. Ik leg mijn handen ertegenaan en kijk naar buiten. Hier woont Dennis, zeg ik tegen mezelf. Zijn kamer ligt in een stuk van de stad, mijn stad, zijn stad, dat ik tot vanmiddag nog niet kende. Aan de andere kant van de straat ligt een klein winkelcentrum met een supermarkt, een drogisterij, een telecomwinkel en een zonnestudio. Daarvoor ligt een parkeerplaats. Ik kijk naar een lesauto die een poging doet om zich tussen twee witte busjes te wurmen. De auto schuift in en uit het parkeervak. Telkens is er aan één van beide kanten te weinig ruimte en is de beginnende chauffeur genoodzaakt achteruit te draaien en opnieuw te beginnen. Probeer het nog eens, zegt de instructeur bemoedigend. Hij weet dat er genoeg ruimte is voor zijn wagen. Zelf zou hij deze plek ook nooit uitkiezen, maar goed. Hij krijgt betaald om zo’n vervelende vent te spelen.

Achter me vraagt Dennis wat er buiten te zien is. Zijn stem klinkt slaperig.

Ik zeg: een lesauto.

Op dit uur?

Ja, een lesauto in het holst van de dennisnacht.

 

In de ochtend eten we flensjes en drinken we koffie. Uiteindelijk raap ik al mijn moed bij elkaar en vraag ik Dennis of hij me alsjeblieft zou willen afwijzen. Het is te laat. Ik zit al in de bus naar huis. Tegenover me zit een veertiger die in het niets lijkt op een Dennis. Hij kijkt me niet-begrijpend aan. Ik kijk weg. Ik staar naar buiten. Het regent nog steeds, heel zachtjes. Ik vind het niet erg. Ik pak mijn telefoon om een ander liedje op te zetten, maar dan zie ik dat Dennis me een berichtje heeft gestuurd. Ik toets mijn code in en open het bericht.

Er staat: Waarom was je vanochtend zo’n afstandelijk, koud stuk steen?

Dat staat er niet. Er staat: ik mis je nu al xxx.

 

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Clarice Lispector, Maarten van der Graaff, Ali Smith, Olga Tokarczuk

Wat luister ik?

Julia Jacklin, MUNA, Big Thief, Rina Sawayama

Wat kijk ik?

Midsommar, My Favorite Shapes by Julio Torres, videoclips

Quote

'I want to swim to the bottom of myself and find the weirdest most special and pure shit that I can offer' - Aaron Maine