Nieuwste onderwerp

Oliebollen (2)

Ze heeft zich laten overhalen. Zelf snapt ze ook nog niet helemaal hoe het is gelukt, maar uiteindelijk heeft ze ingestemd. Vandaag gaat Mathilde naar buiten.

Het wordt geen lang uitje, heeft Willem haar beloofd. Drie minuutjes lopen naar station Overvecht, vijf minuten in de trein naar het centrum van Utrecht, en dan nog een korte wandeling naar de Neude waar de oliebollenkraam staat, als een winters schilderij in een lijst van knipperende kerstlampjes.

Hoe vaak was ze daar wel niet met Paul geweest? Zodra de kraam er stond, verzonnen ze minstens drie keer in de week een excuus om er even langs te gaan. Even de stad in voor kerstcadeaus, een afspraak bij de bank – al hun dagen, goed of slecht, eindigden met een oliebol. Soms nam Paul ze mee naar huis. Dan hield hij bij binnenkomst de zak met een vrolijke grijns voor zich uitgestrekt, het papier al vol half-transparante vetvlekken waar de warme oliebollen er tegenaan hadden gelegen. Maar Mathilde at ze het liefst ter plekke op. Ze wachtten altijd tot er een verse lading op de metalen schalen werd gedumpt, namen er ieder één – hij zonder krenten, zij met – en peuzelden die op, tegenover elkaar staand aan een hoge plastic tafels. Met vingers vol poedersuiker kneep Paul haar dan kort in haar wang, zodat daar een witte veeg achterbleef, en zei: ‘Lekker bolletje van me.’

 

Willem staat een uur eerder voor de deur dan afgesproken. Mathilde heeft haar badjas nog aan.

‘Zo heb je minder tijd om nerveus te zijn,’ zegt hij.

Op elke andere dag was Mathilde boos geworden om dit soort streken, maar nu heeft ze daar de puf niet voor. Het grootste deel van de nacht heeft ze ijsberend doorgebracht in de woonkamer, zonder de lampen aan te doen, zichzelf begeleidend met een melodie van eindeloos gemompel. Treinongeluk, tramongeluk, aanslag in de tram, bomaanslag, zelfmoordaanslag, iemand springt van een flat, iemand springt voor de trein, treinongeluk.

Het lukt haar niet om haar jas dicht te ritsen, haar vingers trillen te erg. Willem helpt haar. Alleen zijn ogen en neus piepen boven zijn donkere sjaal uit, maar ze zijn één en al opgewektheid. Hij heeft er vertrouwen in, beseft Mathilde.

‘Na u, mevrouw!’

Willem gooit de voordeur open. Het trappenhuis ligt voor hen, een groot, donker gat dat kolkt als het water in een doorgetrokken wc. Mathilde grijpt zich vast aan de deurpost. Uitglijden, enkel omzwikken, stuitje breken, kon je daar niet blind van worden, nek breken, nooit meer lopen.

‘Kalm aan,’ zegt Willem. ‘Stapje voor stapje.’

Hij staat vlak achter haar, zodat ze niet zomaar terug naar binnen kan vluchten.

‘Je hoeft alleen maar je voet te verplaatsen, Tillie. Dat is al voldoende. Steeds je voet een beetje verplaatsen, en dan zijn we voor je het weet bij de kraam. Bij de oliebollen. Oké?’

Een zacht duwtje in haar onderrug en opeens is ze over de drempel. Ze heeft de deurpost los gelaten en staat vlak voor de bovenste traptrede, een tikje duizelig, maar dat is het. Er gebeurt niks.

‘Goh,’ zegt Mathilde. De ruimte ruikt opvallend anders dan haar huis, niet naar gebak en schoonmaakmiddel met appeltjesgeur, maar naar sigarettenrook, vieze schoenen, de buitenlucht.

Willem doet de deur dicht, komt naast haar staan en biedt haar zijn ellenboog aan. Mathilde haakt haar arm door de zijne.

‘Klaar voor?’

‘Ja.’

Ze schuifelen de trap af. Eerst zet Mathilde nog allebei haar voeten op elke tree, maar na een tijdje komt er meer vaart in. Haar luide lach galmt door het trappenhuis

‘Kijk nou, Willem, het gaat goed!’

Ze lopen het flatgebouw uit en de huid op haar gezicht trekt onmiddellijk strak door een koude wind. Mathilde moet haar ogen dichtknijpen tegen de zon, die zo veel feller is dan wanneer hij langs haar gordijnen naar binnen schijnt. Willem trekt aan haar arm.

‘Goed bezig, Tillie, stapje voor stapje!’

Maar Mathilde wil geen stap meer verzetten. Ze staat verstijfd op de stoeprand en zoekt een muur om tegen aan te leunen, maar die is er niet meer. Een goederentrein raast met veel metalig kabaal voorbij, om de hoek schreeuwen kinderen, overal om haar heen is gesuis, geritsel, gebonk, geknal. Haar zicht versmalt alsof ze door een koker kijkt. Iemand, waarschijnlijk Willem maar ze weet het niet zeker meer, legt een hand op haar schouder, die ze meteen van zich af schudt. Gedachten overspoelen haar met zo’n snelheid dat ze ze niet meer kan identificeren, als een drenkeling die de ene na de andere massieve golf zeewater over zich heen krijgt en tussendoor geen tijd meer heeft om naar adem te happen.

Mathilde begint te lopen zonder iets te zien, op zoek naar de deur van haar flatgebouw. Vaag hoort ze ‘Pas op!’, dan botst er iets tegen haar aan en ligt ze zijlings op de grond. Er knielen mensen om haar heen, onbekende handen voelen aan haar ledematen. Ze probeert in te ademen maar iets in haar keel houdt haar tegen. De golven bevinden zich nu ver boven haar hoofd. Zelf is ze diep de zee in gezonken, in een verlammend vacuüm van onrust, en het water drukt zwaar op haar borst.

« terug naar blog

2 responses to “Oliebollen (2)”

  1. Silvia van Knotsenburg

    Hi Sonja, ik wilde even een kijkje in de keuken van de ABC verhalen. Nu heb ik spijt, want waar is de rest. Ik zat meteen op het puntje van mijn stoel, heerlijk die open plekken en dat met zo weinig woorden. Meteen raak. Een diepe buiging voor zoveel talent. Dankjewel.
    Groetjes, Silvia

    1. Sonja Buljevac

      Hoi Silvia,
      Heel erg bedankt voor je reactie en de mooie complimenten! Ze worden oprecht enorm gewaardeerd.
      Ik ben bezig met het vervolg op dit verhaal dus hopelijk staat het ergens deze week online!

      Hartelijke groetjes en dank,
      Sonja

Reageer

Wat lees ik?

(Momenteel) Michel Faber

Wat luister ik?

Van alles, maar vooral The Beatles

Wat kijk ik?

The Godfather & Midnight in Paris

Quote

"A word after a word after a word is power" - Margaret Atwood