Nieuwste onderwerp

Vuurprinses

 

Een paar dagen geleden zag ik mijn vuurprinses in een supermarkt. Hij was iets aan het afrekenen bij de zelfscankassa. Het bovenste deel van zijn hoofd, dat wil zeggen zijn kuif en zijn donkere ogen, staken boven het apparaat uit. Ik stond buiten. Hij zag mij niet. Hij keek een beetje verloren – of althans, dat meende ik, maar achteraf wist ik niet meer zo zeker of hij echt die indruk wekte of dat ik dit in hem wilde lezen. Misschien hoopte ik dat hij verloren was. Dan kon ons verhaal ongecompliceerd zijn. Hij kon de rol van de prinses op zich nemen en ik die van de heldhaftige prins, de redder in nood, en boven ons cirkelde een vuurspuwende draak.

Ik wachtte buiten op hem. Het voelde vreemd, alsof ik hem gevolgd was en het moment afwachtte waarop ik toe kon slaan. Drong ik me aan hem op? Had ik wel het recht om hem op te wachten? Om deze hele sprookjesmetafoor – heb je er al genoeg van? – door te trekken: was ik in plaats van een prins niet gewoon een jager, een boze wolf verkleed als ijsprinses?

Ik wilde me net omdraaien, toen hij de supermarkt uitliep. Hij zag me, lachte en zwaaide. Ik viste een hand uit de plooien van mijn jurk en zwaaide terug.

- Hallo ijsprinses, zei hij toen hij voor me stond. Hij kuste mijn wang.

- Hallo vuurprinses.

Hij vroeg of ik op iemand stond te wachten. Ik knikte. Ik gaf toe dat ik op hem stond te wachten. Volgens mij geloofde hij me niet, maar hij zei er niets over. Hij was moe. Hij had de hele dag lesgegeven, zei hij en toen gaf hij, nog steeds breed lachend onder dat snorretje, me een compliment over mijn japon.

- Je ziet er zo netjes uit, zo deftig!

Ik keek naar beneden en streek met mijn vlakke hand over het sneeuwwitte tule. Ik bedankte hem en zei dat hij er ook netjes uitzag. Hij zag er eigenlijk altijd heel netjes uit. Om door een ringetje te halen.

 

Op mijn uitnodiging bleef hij een dag later bij me eten. Het eten dat ik had gekookt – rijst met geroosterde zoete aardappel, guacamole, bonen en vegetarische vis – herinnerde hem aan thuis. Hij vertelde erover, over Chili, een land dat in mijn hoofd nog altijd in exotische nevelen was gehuld. Hij sprak over de politieke onrust, over zijn familie en over zijn hond, die hij in Chili had achtergelaten en vreselijk miste. Hij liet een foto zien. Het hondje heette Coneja, konijn. Het dier leek met zijn puntige oren inderdaad wat op een konijn. Hij was nep, zei mijn vuurprinses. Aan zijn gebrek aan lengte, kon je zien dat het geen zuivere rashond was. Als hij echt was geweest, was hij nu een stuk groter geweest.

Ik heb uitgesproken ideeën over rashonden en mensen die rashonden hebben, maar die heb ik toen niet uitgesproken. Ik vraag me nog steeds af waarom.

 

We aten en dronken en spraken. Ons gesprek schakelde als een verkeerslicht tussen Nederlands, Engels en Duits. Nederlands was groen, want dat wilde hij graag leren en Duits rood, want dat bemoeilijkte het leren van de Nederlandse taal. Engels was oranje. Het lag tussen de andere twee talen in, een veilig midden waarop we nooit te lang konden blijven hangen. Soms legde hij het gesprek stil om een woord dat ik had gebruikt te kunnen proeven. Hij legde het woord voorin zijn mond, krulde zijn bovenlip en vouwde zijn onderlip onder zijn voortanden. Zo leek hij zelf ook wat op een konijntje. Vervolgens spuwde hij het woord uit alsof het heel zuur was, iets dat je beter niet te lang op je tong kon laten liggen, omdat het de huid zou kunnen wegbijten. We keken ernaar, die uitgespuugde, talige rochel. En dan glimlachten we naar elkaar en pakten we het gesprek weer op.

Wat we die avond probeerden te doen, denk ik, was opnieuw heel dichtbij elkaar te komen. Zo dichtbij mogelijk. We zochten naar een fysieke, geestelijke en talige samenkomst. Ik geloof niet dat dat lukte. Telkens zat er iets tussen ons in waardoor we elkaar niet volledig begrepen en versmelting uitbleef. Pas later drong dit beeld zich aan me op: we waren twee prinsessen die elkaar in een vlaag van spontaniteit ten dans hadden gevraagd. Vrolijk huppelden we de dansvloer op en daar, onder de discobal, legde ik mijn armen om jouw middel en jij de jouwe op mijn schouders. Pas toen we begonnen te wiegen, kwamen we erachter dat we elkaar wegduwden. Het lag aan onze jurken. Onze rode en blauwe hoepelrokken stootten elkaar weg. Ze creëerden een afstand die we niet konden overbruggen. We konden hoogstens onze onderlijven langs elkaar schuren, maar dat was niet genoeg. We wilden dichterbij komen. Van twee prinsessen één prinses maken.

 

Ik heb dit beeld nu op papier gelegd tussen allerlei andere beelden en ik denk dat ze bij elkaar passen. Maar zeker weten doe ik het niet. Het enige wat ik zeker weet is dat, toen je die avond vertrok – middernacht vuurprinses, vliegensvlug die magische pompoenkoets in – je iets veel groters, veel zwaarders achterliet dan een alleen een glazen muiltje.

 

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Clarice Lispector, Maarten van der Graaff, Ali Smith, Olga Tokarczuk

Wat luister ik?

Julia Jacklin, MUNA, Big Thief, Rosalía

Wat kijk ik?

Midsommar, My Favorite Shapes by Julio Torres, videoclips

Quote

'You are not in the wild, you are in a pen' - Julia Jacklin