Nieuwste onderwerp

Ongeluks-miljoenen

En opeens staat dan de hele wereld stil.

Een bezorgscooter glijdt op zijn kant dwars over de rotonde heen. De vonken spatten ervan af.

Een gehaaste man in een Mercedes mist zijn afslag en rijdt een extra rondje om te kunnen blijven kijken.

Twee fietsers aan de overkant van de weg stoppen waar ze zijn en stappen af. Komen niet dichterbij.

Een voetganger staat doodstil en verstijfd als een stokstaartje. Het enige dat beweegt zijn zijn ogen.

Niemand loopt naar de scooter en de berijder.

Ik weet niet of de dingen om me heen zo lang verstijfd zijn dat ik daardoor heel snel lijk. Maar ik steek schuin de straat over en sta binnen een paar tellen naast hem.

‘Shit shit shit,’ zegt de jongen onder de helm.

Ik ben de enige die daadwerkelijk bij hem is. De fietsers staan als bevroren naar de jongen te staren.

Ik gooi mijn fiets in een heggetje.

‘Hoi,’ zeg ik, en hurk naast hem, ‘Hoe gaat het?’ Ik voel me een sukkel. Alsof ik een gesprek op tinder aanknoop. Maar wat is er ook te vragen op zo’n moment?
‘Fok man, mijn knie man, fok fok fok.’
‘Blijf maar rustig zitten,’ zeg ik, ‘Hoe heet je?’
‘Nino,’ zegt hij.
Ik zeg mijn eigen naam niet. Het maakt niks uit wie ik ben.
‘Kan ik iemand voor je bellen, Nino?’ zeg ik.
Hij schudt angstig zijn hoofd. ‘Nee, nee man. Nee niet bellen. Niemand bellen.’

De patstelling. Hij heeft vrijwel zeker geen rijbewijs, maar ik heb geen idee wat er met hem aan de hand is. Straks heeft hij een inwendige bloeding. Of ligt zijn knieschijf doormidden en houdt hij zich sterk. Of gaan er allemaal dingen zwellen in zijn hersens onder die helm.

‘Weet je het zeker?’ zeg ik.
‘Wilt u gewoon even twee minuten bij me blijven zitten?’ zegt Nino, ‘Heel even niet weggaan?’
Hij kijkt me voor het eerst aan. Ik zie twee donkere, bange ogen. Ik schrik ervan hoe jong hij is. Hij kan nog geen zestien zijn. Wat deed ik toen ik zestien was? Zeker niet te hard met een scooter over een kruispunt rijden met een pizza in een plastic bak.
Daar ligt ie dan, met z’n opgevoerde scooter, duur bij elkaar gespaarde merkkleding en tribal-patroontje in zijn haarlijn. Of ik heel even niet weg wil gaan. Het is een van de aller kwetsbaarste dingen die ik iemand ooit heb horen zeggen.
‘Tuurlijk man,’ zeg ik, ‘Natuurlijk blijf ik bij je.’ Ik ga op de stoep zitten. Het kan me geen reet schelen dat het de hele dag gestortregend heeft en dat ik een wollen jas aan heb.

Op dat moment stopt er een politie-combi naast me. Er springen twee agenten uit.

Een vrouwelijke agent praat druk in haar walky-talky. Roept allerlei codenummers af die blijkbaar moeten inkaderen wat wij hier op de stoep liggen te zijn.

Nino kreunt nog iets harder.

‘Heb je je bezorging al weggebracht?’ vraag ik, om maar iets te zeggen.
‘Ja man,’ zeg ik.
‘Fijn man,’ zeg ik.
‘Ja man,’ zegt hij, en glimlacht vaag, ‘Echt geluk.’
We grinniken allebei zachtjes.

De agente loopt op ons af.
‘Goedenavond, wat is er hier aan de hand?’
Nino en ik leggen de situatie uit. De vonken, de pizza, het natte gladde wegdek, de knie, zijn gescheurde jas.
Ze kijkt ons bedenkelijk aan.
‘En u bent?’ zegt ze tegen mij.
Alsof we samen in de afgelopen dertig seconden een onrealistisch verhaal bij elkaar hebben verzonnen voor als de popo komt. Kijk naar me, denk ik, ik zou jankend een gestolen snoepje terugbrengen van het schuldgevoel.
‘Ik fietste voorbij,’ zeg ik dan maar.
Ze kijkt naar zijn knie. ‘Denk je dat ie gebroken is?’
Nino haalt zijn schouders op. ‘Weet ik niet mevrouw, het doet pijn.’
Ze pakt haar walky-talky. ‘Slachtoffer heeft een sterk vermoeden van botbreuk.’
‘Hij zegt niet dat-…’ begin ik, maar de agente draait zich al om.

En opeens is daar de ambulance.

Er springen twee mensen uit.

‘Botbreuk aan de knie,’ zegt de agente.
‘Ik denk wel dat ik kan staan man,’ zegt Nino.
Held, denk ik. De buitenwereld is gearriveerd en hij staat er weer.
Eén van de medewerkers rolt met zijn ogen.
‘Als hij had gezegd dat ie kon staan dan had ik je niet laten komen…,’ zegt de vrouwelijke agent zacht maar toch duidelijk verstaanbaar tegen de tweede ambulancemedewerker, ‘Maar ja, hij zei dat het gebroken was…’
Kutwijf, denk ik. Helemaal niet.

Nino vertrekt geen spier. Hij is waarschijnlijk gewend dat mensen in uniformen hem de schuld van dingen geven.

Met behulp van de agente komt hij overeind. Niemand lijkt blij dat het hem lukt om te staan.
‘Kom maar even mee naar binnen,’ zegt de tweede ambulanceman, ‘Dan gaan we je even inspecteren.’
Hij leidt Nino mee naar de ambulance en schuift de deur achter hen dicht.

De tweede agent komt naar ons teruglopen. Hij heeft om de hoek staan bellen.
‘Er is geen rijbewijs geregistreerd op zijn naam.’
‘Dat wordt mee naar het bureau,’ zegt de agente. Ze glimlacht er bij. Alsof ze al weken op een geval als dit zit te wachten.

Er komen een vader en een zoon op ons af. Ze hebben allebei twee camera’s om hun nek hangen.
‘Hoi, AT5. We komen even foto’s maken voor het lokale nieuws.’
‘Niks buitengewoons hoor,’ zegt de agente, en kijkt neerbuigend naar Nino in de ambulance. ‘Gevalletje minderjarige bezorger zonder rijbewijs. Maar wat ik me altijd afvroeg he, hoe betaalt dat, wat jullie doen? Is dat per foto?’
De vader en zoon kijken elkaar verbaasd aan. Ze hebben waarschijnlijk nog nooit meegemaakt dat een agent ze met oprechte interesse een vraag stelt over hun werk.

En daar zit ik dan met al mijn goede bedoelingen op de natte stoep, met een gevoel alsof ik Nino niet heb geholpen maar alleen maar in de val heb gelokt.

Links van me de ramptoeristen en de agente verwikkeld in een geanimeerd gesprek over ongeluks-miljoenen. Rechts van me Nino’s scooter, die benzine op de stoep lekt maar waar niemand naar omkijkt. En voor me Nino in de helverlichte ambulance. Zijn gezicht lijkt nog jonger en bleker nu zijn helm af is.

Ik hoop dat hij over een tijdje, als hij aan vandaag terugdenkt, niet vergeet dat er ook mensen zijn die het daadwerkelijk boeit hoe het met hem gaat. Mensen die niet op hem af zijn gekomen omdat hij potentieel een spannende code is om door een walky-talky te roepen. Of die het landelijke nieuws hopen te halen en veel geld hopen te verdienen aan een foto van zijn uiteengereten lichaam. Of die ‘zie je wel’ zeggen als hij zijn tropische achternaam uitspreekt. Dat er mensen zijn die het hem gunnen dat er iemand is om naast hem te zitten als hij zich doodsbang en ellendig alleen voelt. Die met liefde die persoon voor hem zijn. Gewoon omdat hij die even nodig heeft.

« terug naar blog

One response to “Ongeluks-miljoenen”

  1. Lotte Kok

    Jeetje.

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)