Nieuwste onderwerp

Clubslet

Recreatieve badmintonners kom je met name in familievorm tegen.

Zelf heb ik niet echt een badmintonfamilie. Hoewel mijn moeder ook ooit badmintonde, is mijn vader nooit een shuttleman geweest. Mijn broer is meer van de solitaire kruisgangsporten.

Ik snak naar een sport die niet mijn hele school al beoefent –te weten: hockey- houd twee keer een badmintonracket vast en weet dat dit is wat ik voor altijd wil doen. Ondanks dat ik niet tot een badmintonfamilie behoor besluit ik het er toch op te wagen. Ik ben veertien en ik weet nog niet wat bindingsangst is.

Terug naar badmintonclans. Opa Rudi de Berg is de stamvader van de badmintonfamilie die mijn vereniging ooit oprichtte.

Wij -dat wil zeggen: de zeldzame outsiders op de vereniging- noemen Rudi’s familieleden De Bergen. Omdat ze net als gebergten voor hun hele leven aan elkaar vastzitten, of ze het nou willen of niet. En, laten we eerlijk zijn, dat is eigenlijk de echte reden, omdat De Bergen allemaal twee keer zo zwaar zijn als een gemiddelde leeftijdsgenoot.

Je herkent De Bergen daarnaast aan de frituurlucht die als een parfum om hen heen hangt. Rudi heeft heel lang fietsen gestolen en op kermissen gewerkt, maar is toen “het snackbarwezen” in gegaan. Hij kreeg kinderen.

Dat Rudi in een vorig leven een fietsendief was heeft hij overigens nooit letterlijk verteld, maar ik heb hem vaak sloten zien openbreken voor huilende kinderen zonder fietssleutel. Daarnaast houdt hij een keer een vijf minuten durende speech over de “tyfuskoleredomheid” van een kettingslot alleen door je voorwiel heen halen. Hij belooft het me uit te leggen als ik niet aan mijn ouders vertel dat hij dit soort dingen weet. Ik ben veertien en voor mij is de rekensom gemaakt. Rudi was ooit een fietsendief. Ik hoop dat ik dat soort dingen ooit ook zal durven.

Het een na jongste kleinkind van De Bergenclan heet Ronna. Ronna is ongeveer even oud als ik en heeft alles wat ik wil: scheermesjes voor haar beenhaar, borsten zo groot als mijn hoofd en vriendjes. Jawel, meervoud. Ze heeft ook op haar vijftiende een abortus, maar dat weet ik op dat moment nog niet.

Zodra de deur van de meisjeskleedkamer dichtvalt begint Ronna altijd tegen me te roddelen over De Bergen. En dat is heerlijk. Ik weet waarschijnlijk meer over het privéleven van haar moeder dan dat haar vader dat weet. Dat geeft me het gevoel dat ik er ook een beetje bij hoor. Meer zelfs dan sommige daadwerkelijke Bergen.

Eén van Rudi’s zoons heet Purno. Hij is mijn trainer. Hoewel Purno al een klein decennium een relatie heeft, is hij er nog altijd niet in geslaagd zich voort te planten. Iets wat erg uitzonderlijk is voor De Bergen. Ze bekijken Purno dan ook met argwaan. Ronna vertelt me een keer fluisterend in de kleedkamer dat haar moeder vermoedt dat hij ‘stiekem gewoon mannen wil neuken en daarom een excuusrelatie heeft met een lesbo’. Ik vraag me af hoe Ronna’s moeder dat allemaal weet.

Ik wil niks liever dan ook een Berg zijn. Een familie zijn met een hoger doel in het leven en een onverbreekbare band. Ik wil net als zij klein en zwaar en daardoor mijn eigen anker zijn. Niet telkens struikelen en met mijn racket vooruitgestoken plat op mijn plaat gaan over mijn slungelige, harige groeispurt benen. Ik wil na school bij mijn opa gaan hangen in de snackbar en iedere dag snacks eten waarvan ik nu de naam niet eens ken. Wij gaan nooit naar de snackbar.

‘Het is tijd,’ zegt Purno op een dag plechtig. Hij houdt iets achter zijn rug vast.

Inmiddels speel ik al een tijdje bij de vereniging. Ronna heeft me geleerd hoe ik mijn benen moet scheren. Dit heeft er in geresulteerd dat ik een grote pleister op mijn beide achillespezen heb. Dat boeit me niks. Volwassen zijn is pijn lijden en niet laten blijken dat je het voelt, vind ik.

Alle op de training aanwezige Bergen laten hun shuttles vallen en komen wat dichterbij gelopen. Alsof ze allemaal niet wisten wanneer dit moment zou plaatsvinden, maar wel dat het een dezer dagen zo ver zou zijn.

Ik sta tegenover een zee van Bergen en ik voel me nog ongemakkelijker dan normaal. Maar Ronna knikt me bemoedigend toe en ik vind dat ik inmiddels oud genoeg ben om me over de wens om een slak met een huisje te zijn heen te zetten. Ik wil geen huisjesslak zijn, maar een anker.

‘Marlies,’ zegt Purno, ‘We hebben je het afgelopen jaar een geweldige ontwikkeling zien doormaken. Hoewel je opgevoerde groeispurt het je soms letterlijk onmogelijk maakt om overeind te blijven,’ er wordt gegrinnikt, ‘Hebben wij het volste vertrouwen dat het met jou wel goed gaat komen wijffie. En daarom heb ik voor jou de clubslet.’
Wat? Denk ik. Maar ik zeg niks. Ik weet wel beter dan te laten blijken dat ik hier maar half thuishoor en nog nooit hardop hoer heb gezegd.
Hij haalt een rackethoes achter zijn rug tevoorschijn.
‘Ik heb hem ooit gekocht toen ik de nationale competitie in ging. We hebben er bijna allemaal wel een tijdje mee gespeeld,’ zegt Purno.

Rudi heeft vochtige ogen. Slaat zijn armen over elkaar. Schraapt zijn keel luid en kijkt weg van ons.

Ronna kijkt me lichtelijk jaloers aan, maar glimlacht. Ze gunt me dit.

Ik ben veertien, slungelig en preuts, maar ik bezit een voorwerp dat met seks wordt geassocieerd. En dat familiebezit van De Bergen is. Mijn leven kan niet meer stuk.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)