Nieuwste onderwerp

Wiegeliedje

Mijn onderbuurman heeft problemen.
Waar ze precies uit bestaan weet ik niet.
Ik weet vooral dat hij me nachtenlang wakker houdt.

Ik leer hem aanvankelijk puur kennen door zijn muziekkeuze. Hij is behoorlijk standvastig op dat vlak. Naast de nodige zelfmoordtechno, waarvan de beat structureel nooit dropt, heeft hij ook zijn “wiegeliedjes”. Nummers die hij over het algemeen ’s avonds luistert, en waarvan er altijd eentje bijzonder favoriet is. Zo luistert hij vanaf het moment dat de wintertijd ingaat iedere avond alle instrumentale versies die er ooit gemaakt zijn van My heart will go on.

Eerst is het allemaal aandoenlijk. Dan wordt het irritant. En dan begint het bij ieder technonummer dat hij aanzet te voelen alsof er iemand met een hamer op mijn hoofd staat te slaan. Op een snel tempo dat maar niet vertraagt en maar niet stopt.

Tegen januari zit ik om twee uur ’s nachts regelmatig met een schoen met een hoge hak op mijn vloer en sla zo hard mogelijk op het laminaat, hopend dat ik hiermee duidelijk maak hoe bijzonder schel al die valse fluiten van Celine klinken hierboven. Bovendien is het bijzonder onprettig om iemand te horen schreeuwen en op muren te horen slaan als je probeert te slapen. Al vraag ik me regelmatig af wie van ons twee er nou gekker is, met een schoen in mijn hand op het laminaat zittend.

Mijn moeder logeert bij me. We zijn naar een musical geweest. De bass van mijn onderbuurman blijft maar bonzen tegen mijn vloer. Na een uur lang luisteren of de ademhaling van mijn moeder verandert naar die van iemand die wakker ligt, besluit ik actie te ondernemen. Al is het maar voor mezelf.

Ik sta voor zijn raam en bons, bons nu eens terug, bons sneller dan de beat, om te vragen of het nou verdomme eindelijk eens iets zachter dan volume festivalterrein kan met zijn muziek.
Hij rukt zijn raam open. Hij heeft nog maar een halve wenkbrauw, de rest is afgeschoren.
‘Wil jij dat nooit meer doen? Mensen die op ramen bonzen doen nare dingen met mij.’ Hij heeft een zwaar accent. Van ergens aan de zuidkant van de Middellandse Zee, vermoed ik.
In de eerste paar seconden dat hij me woedend aankijkt wil ik hem eigenlijk vooral heel defensief en snerend vragen of het echt zo slecht is gesteld met zijn vertrouwen in de wereld dat ik niet eens meer op zijn raam mag kloppen als ik last van hem heb. Maar hoe langer ik naar de halve wenkbrauw kijk, hoe minder ik een antwoord op die vraag wil.
‘Mag het wat zachter?’ vraag ik dan maar.
Hij zucht en gooit zijn raam dicht.

Het wordt voorjaar. Zijn wiegeliedje is op dit moment Zoutelande.
…Ik ben blij dat je hier bent, blij dat je hier bent…’
Bij gebrek aan meer variatie in versies dan de versie met en die zonder de Vlaamse dame, draait hij het oorspronkelijke nummer gewoon zestien keer achter elkaar. Ik heb de strijd een beetje opgegeven. Als ik ver na middernacht bij hem voor de deur sta haalt hij zijn schouders op. Als ik de politie bel dan maakt hij ruzie met ze.

Het is nog steeds voorjaar en het pand waar we wonen bestaat een jaar. Er worden muzikanten uit alle windstreken uitgenodigd om te komen spelen, om alle bewoners iets te geven om naar te komen luisteren die dag.

Er speelt een band uit het geboorteland van mijn onderbuurman. Ik ben altijd verbaasd geweest over zijn bijzonder westerse muziekkeuze. Verbaasd dat hij niet, zoals de Eritrese jongen die verderop op mijn galerij woont, graag naar muziek van thuis luistert. Om zich weer even daar te wanen.

Het is voor het eerst dat ik deze muziek hoor. De uitbundige zang. Al heb ik geen idee waar het over gaat.

Het nummer is afgelopen.

‘The song that we’re going to perform for you now,’ zegt de zanger, ‘Is dedicated to all our brothers and sisters back home, bravely staying behind in our country.’

Glimlachende mensen om me heen verstrakken een beetje. Giechelende gesprekken vallen stil. Iedereen luistert. Ik zie mijn onderbuurman vanuit mijn ooghoek. Hij staat een beetje achteraan in het publiek, dat verzameld is om het uit pallets opgebouwde podiumpje.

‘This next song is about the road back to Aleppo. Because although this road may be long and winding, and it may take us many years to walk it, it is lined with olive trees. And one day we will walk it all the way back home.’

Iedereen in het publiek lijkt vrienden om zich heen te hebben. Grijpt iemand vast. Slaat een arm om iemands schouders. Kijkt elkaar in de ogen tijdens het meezingen. Iedereen behalve hij.

Er loopt een traan over de wang van mijn onderbuurman. Hij veegt hem niet weg.

Ik realiseer me voor het eerst de grootsheid van hoeveel hij nog meer is verloren, voordat hij zijn verstand verloor.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)