Nieuwste onderwerp

Keycord (1/2)

‘Dit is de periode waarin je vrienden voor het leven maakt,’ zegt de moeder van Nina. We staan met z’n drieeën bij de ingang van de fietsenstalling. Nina’s moeder fietst graag met Nina mee naar school. Niet omdat ze het samen nou zo gezellig hebben, maar omdat moeder in de gaten wil houden wat haar dochter doet tussen haar huis en onze school. Ik heb geen idee hoe de vrouw heet. Ze praat altijd in de derde persoon over zichzelf en noemt zich dan mama. ‘Mama gaat nu naar huis toe Nina.’Zo.

Ik realiseer me eens te meer dat ik met Nina bevriend ben bij gebrek aan leukere mensen om mijn tijd mee door te brengen. Ze is niet onaardig, maar ik kan me niet herinneren dat ik haar ooit iets heb horen zeggen dat haar moeder niet al eens een keer heeft gezegd.

Met dank aan haar Nina’s moeder, dringt het besef zich aan me op dat het vanaf hier dus alleen nog maar bergafwaarts kan gaan. Ik ben twaalf en er gebeurt bar weinig. Als dit de tijd van mijn leven is, dan heb ik een probleem.

Als ik weer eens knikkebollend naast een tochtig raam zit bij Latijn, bedenk ik dat ik toch in ieder geval niet Ronnie ben. Waar mijn schooldagen bestaan uit dromerig uit het raam staren en hopen op de tijd ná de-tijd-van-mijn-leven, bestaan de dagen van Ronnie uit naar de grond staren en doen alsof hij niet hoort hoe iedereen de pik op hem heeft.

In zekere zin is Ronnie meer eigen dan wij allemaal. Hij draagt iedere dag een ander, te wijd houthakkersbloesje om zijn knokige lichaam. Een spijkerbroek in de aller smalste breedtemaat slobbert om zijn luciferbenen. Zijn brede leren riem doet me vermoeden dat zijn vader een rockster is die door Amerika toert en hem af en toe iets duurzaams van bij de rednecks stuurt. Ik durf hem er niet naar te vragen.

Ronnie heeft het dragen van een keycord tot een stijlmiddel verheven. Hoeveel sleutels er daadwerkelijk aan de band om zijn nek bungelen weet ik niet. Ze worden aan het zicht onttrokken door een ontelbare hoeveelheid pluchen, tot grijs verkleurde miniknuffeldiertjes. Ik weet niet of Ronnie het expres doet, maar als hij loopt beweegt hij zijn bovenlichaam extra ver naar voren en achteren, waardoor de bos grauwe varkens, konijnen en onzichtbare sleutels bij iedere stap rinkelend tegen zijn torso slaat.

Met Ronnie praten is iets wat je niet doet. Je praat alleen tegen Ronnie.

‘Wat wil je voor je verjaardag Ronnie?’ gilt Veronique dan door het lokaal, ‘Een pissebed aan een sleutelhanger? Dan kunnen jullie je lekker samen in een donker hoekje oprollen.’

Ik onderga het lijdzaam. Mijn nekharen staan overeind vanwege zoveel onrecht, maar ik ben twaalf en dit is de periode dat ik vrienden voor het leven moet gaan maken. Dus ik besluit vooral niet te hard mijn mening uit te dragen. Zeker omdat ik me ook wel realiseer dat het geen populaire mening is om de keycord legendarisch te vinden.

Het is een warme ochtend in februari. De verwarmingen op school staan nog afgesteld op vrieskou en ik zit met een blozend rood hoofd in de klas. Ik probeer onopvallend met de rug van mijn hand het zweet van mijn voorhoofd te deppen. Nina en haar moeder stonden al niet meer op de afspreekplek bij de brug toen ik er vanmorgen aankwam, ik was heel laat.

Meneer Visser is ook te laat. Bruno pakt demonstratief zijn rugzak op en slentert het lokaal weer uit, naar de kantine. Ik bedenk me hoeveel minder warm het in de schaduwrijke kantine gaat zijn. Hoe graag ik helemaal nooit meer naar Latijn of deze groep wildvreemde klasgenoten of überhaupt naar school toe zou gaan. Wat ik ervoor zou geven om binnen nu en een uur te emigreren. Of gewoon te verdwijnen. Ergens naartoe. Met een nieuwe identiteit, een hondje genaamd El Jeffe en uitzicht op een vallei.

Dan stapt meneer Visser het lokaal binnen. Hij blijft in de deuropening staan. Eén voor één kijkt hij ons allemaal aan. Alsof hij ons voor het eerst ziet als de mensen die we zijn. Of die we nog gaan worden. In plaats van de verwende groep noodzakelijk kwaad waar hij ons normaal gesproken voor aanziet.
‘Ronnie komt niet naar school vandaag jongens,’ zegt hij.
‘O wat ontzettend jammer,’ zegt Veronique sarcastisch, ‘Ik mis hem nu al.’ De ondertoon ontgaat meneer Visser. Hij knikt alleen maar. Loopt door naar zijn bureautje. Klikt bedachtzaam zijn koffertje open. Alsof hij hoopt dat de oplossing voor dit gesprek in een binnenvakje zit.
‘Ronnie heeft vannacht een hersenbloeding gehad. Hij voelde zich gek en ziek, en opeens was hij buiten westen.’

Er valt een hele lange stilte. Niemand durft de allerbelangrijkste vraag te stellen.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)