Nieuwste onderwerp

Vliegtuigmotoren

Er zijn van die plekken waar je alleen met toeval kunt belanden. Bijvoorbeeld als je verdwaald raakt in een buitenlandse stad en opeens een smoezelig, goedkoop restaurantje vindt waar je de beste pasta van je leven eet, of ergens op de Franse snelweg een verkeerde afslag neemt waardoor je navigatie je urenlang over prachtige, verlaten landweggetjes stuurt. Of als je, na een bezoek aan het Kröller-Möller met je vader, plotseling op het museum van vliegbasis Deelen stuit.

Het was een oude, lage boerderij, het type waar het Nederlandse platteland vol mee staat, maar in de voortuin stond een replica van een vliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog. Anders was je er zo voorbij gereden. Ik heb nooit interesse gehad in voertuigen, vliegend of niet, maar mijn vader krijgt nog altijd pretoogjes bij alles wat ‘ratatatatat’ doet en eruit ziet alsof het een paar bommen heeft moeten incasseren. Dus parkeerden we de auto en gingen naar binnen.

Het museum werd gerund door twee wat oudere mannen. Ze leken verrast om zo vlak voor sluitingstijd nog twee bezoekers te krijgen, maar ze gaven ons met plezier een rondleiding. Het gebouw was laag en voelde meer aan als de kantine van een dartclub dan een museum. In de hoek stond een bar waar flesjes Fanta en zakjes Croky chips werden verkocht. Door de hele zaal stonden authentieke oorlogsvliegtuigen, soms gebutst maar over het algemeen in prima staat. Door de grijze vloerbedekking leek het alsof ze vlogen door een grauwe lucht. In glazen vitrines lagen snuisterijen uit de jaren veertig: sigarettenpakjes, wikkels van repen chocolade, voedselbonnen en pasfoto’s van piloten. Sommige van hen waren jonger dan ik. Hun breed lachende gezichten deden me denken aan de jongens van het studentencorps, met een biertje in de ene hand en een peuk in de ander, chillend voor de trap van hun vereniging. Alleen droegen de piloten geen jasje-dasje, maar uniforms.

De man die ons rondleidde liet een oude vliegtuigmotor zien. Het was ergens in de buurt opgegraven, vertelde hij, het vliegtuig was gecrasht, de inzittende omgekomen. Als je op een rode knop drukte, kon je het geluid horen dat de motoren maakten als het vliegtuig opsteeg. Een ritmisch, doordringend gebrom. Het onmiskenbare signaal dat er iets aankwam, iets groots, iets waar de haren in je nek van overeind gingen staan. Mijn vader vond het geweldig. Ratatatatat.

‘Het is goed dat je er bent,’ zei de man tegen mij, toen ik in mijn eentje rond de vitrines stond te dralen. ‘De jongelui weten er tegenwoordig niks meer van, van de oorlog. Het interesseert ze niet meer. Maar hoe we nu leven, daar is tóén voor gevochten. Dat is belangrijk.’

‘Nou,’ zei ik, in de hoop mijn generatie te verdedigen, ‘ik weet wel iets van de oorlog.’

‘Oh ja?’

‘Ja, toch wel iets.’

Het was geen leugen, maar ik wist ook niet of het helemaal de waarheid was geweest.

Op de basisschool kregen we bij een geschiedenistoets de opdracht om een swastika te tekenen. Ik had de vraag fout, ik wist niet welke kant de haken op moesten wijzen. Toen ik dat aan mijn ouders vertelde, moesten ze lachen, opgelucht, misschien ontroerd. ‘Onze dochter weet niet hoe een hakenkruis eruit ziet,’ zeiden ze tegen elkaar. Het was ancient history, geen symbool meer om trots op te zijn, maar om vlug zand over te schuiven.

Toen ik elf was, las ik het dagboek van Anne Frank en, toen ik veertien was, The Book Thief van Markus Zusak. Beide heb ik een paar keer herlezen. De laatste is nog steeds één van mijn favoriete boeken. Het waren verhalen over jongeren, kinderen van mijn leeftijd, en ik voelde me met ze verbonden.

Toen ik negentien was, keek ik The Boy in the Striped Pajamas. Na afloop heb ik een half uur gehuild. Niet om de film, maar om de werkelijkheid.

Maar een film eindigt en een boek gaat terug in de kast en een toets belandt in de prullenbak. Fin, verhaaltje uit, niet meer aan denken tot 4 mei. Dat kan niet met echte herinneringen.

‘We hebben er op school wel over geleerd,’ zei ik tegen de man. Dat was in ieder geval waar.

In de auto naar huis zongen we mee met de radio. We hadden een fijne dag gehad. Een dag vol mooi weer en broodjes kroket en kunst. Langs het open raam flitsten uitgedroogde, verlaten akkers, waar koeien geen grotere zorgen hadden dan onder een boom te schuilen voor de hete zon. In de verte soms een enkele boer op een tractor, kalm voort hobbelend over zijn land.

Op de achtergrond hoorde ik vliegtuigmotoren.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

(Momenteel) Michael Cunningham; Ludmilla Petrushesvkaya

Wat luister ik?

Van alles, maar vooral The Beatles

Wat kijk ik?

The Godfather & Midnight in Paris

Quote

"A word after a word after a word is power" - Margaret Atwood