Nieuwste onderwerp

Val (2)

Er steekt een briesje op. Paul kruipt dieper het vest in, realiseert zich dat het kledingstuk een rits heeft en haakt met één afgemeten beweging de twee rijen metalen tandjes ineen.

Hij is het niet gewend om vesten te dragen; als hij het koud heeft, pakt hij een trui.

Paul had vannacht de was gedaan. Nou ja, niet dé was. Meerdere wassen. Meerdere ladingen was. Alles moest gewassen. Alleen Christians vest was in zijn waswoede aan zijn aandacht ontglipt.

Zo gaat dat.

Paul steekt zijn vingers diep in de zakken. Met zijn linkerhand voelt hij een gat in de voering. Hij steekt zijn wijsvinger erin. Het is heerlijk zacht. Hij wou dat hij kon krimpen tot de grootte van zijn vingertop, door het gat kon duiken en zich mee kon laten voeren.

Dagdromen brengt je nergens. Beter maar de potscherven opvegen. Paul staat op, ook al zijn er nog geen tien minuten van het halfuur verstreken. Bij de voordeur steekt hij de sleutel in het slot, maar pauzeert voor hij de deur opent.

Ruim twaalf uur daarvoor deed hij ook de deur open en hij is bang voor wat hij nu zal vinden. Hij haalt een keer diep adem en waagt het erop. Zo erg kan het niet zijn. Je kunt immers maar één keer je lief met een gebroken nek aantreffen onder aan de trap.

‘Zo gaat dat,’ zei politieman die als eerste de auto uit was gestapt. Dat was niet het enige wat hij zei. Hij praatte ook over andere oorzaken waaraan iemand kon sterven. Geweld op straat. Enge ziektes. Verwaarlozing. ‘Maar zoiets banaals als dit, tja, dat zie je niet aankomen. Maar goed. Zo gaat dat.’ Het was bedoeld als troost, dat snapte Paul ook wel. Desondanks kon hij niet anders dan wensen dat het niet zo ging. Een oorzaak, elke oorzaak, was beter geweest, zelfs aids of een betonschaar.

Deze keer vindt Paul echter slechts een bezem. Die verwachtte hij ook te vinden en hij is blij dat zijn verwachtingen ingelost zijn. Bewapend gaat hij buiten aan de slag.

De pot was van amper een meter hoogte gevallen, waardoor de scherven niet enorm verspreid liggen. Het puin heeft hij zo verzameld, maar dan beseft hij dat hij niet in het bezit is van een stoffer en blik. Nooit nodig gehad. Paul schuift het hoopje naar de zijkant van de stoep. Het geeft geen voldoening om zijn schoonmaaktaak niet te kunnen voltooien.

Met nog twintig minuten te gaan, neemt Paul weer plaatst op het bankje, met de bezem nog in zijn hand. Het metaal is nog steeds lichtelijk verwarmd op de plaats waar hij daarvoor zat. Hij schuift met zijn kont over de bank, tot hij vrij zeker is dat hij het exacte plekje gevonden heeft.

Gefladder. Op het andere uiteinde van de bank strijkt een vogeltje neer. Christian zou weten welke soort, maar die kennis heeft Paul in hun twaalf jaar samen niet overgenomen.

‘Poe-tie-wiet?’ vraagt de vogel.

Pauls handen klemmen zich om de steel van de bezem. Zijn ogen zijn dicht en in een soort stuiptrekking haalt hij uit. Het metalen bankje galmt na. Geen gefladder. Geen vragen. Zo gaat dat.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

J.D. Salinger, Richard Siken, Maartje Smits, Virginia Woolf

Wat luister ik?

Janelle Monáe, Lorde, Oh Wonder, Stromae, Years & Years

Quote

'I dream in my dream all the dreams of the other dreamers, And I become the other dreamers." - Walt Whitman