Nieuwste onderwerp

Mechanisme

Monteur Willem staat te roken naast de ingang van de showroom en gebaart me het raampje omlaag te draaien.
‘Vanachter er in,’ roept hij tussen twee hijsjes door. Ik probeer een giechel weg te slikken. Als je oud genoeg bent om een auto te hebben, ben je te oud om om dubbelzinnigheden te lachen, vind ik, wil ik vinden, maar het mislukt. Willem heeft het gelukkig niet gezien. Hij bevindt zich in een wereld waarin alleen hij en zijn peuk bestaan.

En daar staat ze dan, met de neus vooruit de werkplaats in geparkeerd. Mijn auto is zilvergrijs, en nog maar zo kort in mijn bezit dat ik haar nog geen naam heb gegeven. En toch is ze mogelijk nu al fataal defect. Maar als dat het geval is, zal ze strijdend ten onder gaan, het is haar aan te zien. Ze mag dan wat ouder zijn, maar ze schaamt zich voor geen enkele dag dat ze rondrijdt.

Er zijn twee oudere mannen aan het werk. De één rookt een sigaret terwijl hij het nummerbordframe op de bumper van een cabrio bevestigt. Hij schiet een paar keer uit met zijn boor. Laat zijn sigaret vallen. Kijkt niet eens naar de sigaret op de grond. Trapt hem niet uit. Steekt een nieuwe op. Een paar meter verderop komt zijn collega overeind vanuit een motorkap. Hij heeft een vleespet en er druipt bloed van zijn hand.

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat deze mannen hier meer werken omdat Willem ze een gevoel van zinvol-zijn gunt op hun oude  dag, dan dat ze nou zo’n uitmuntende kennis en kunde hebben.

De monteur met de bloedende hand komt op me af lopen.
‘Gaat alles wel goed?’ roept hij, een spoor van bloed achterlatend.
Ik onderdruk de neiging om ‘Kijk eens naar jezelf,’ te roepen.
‘Met mij wel,’ zeg ik dan maar, ‘Maar mijn auto heeft wat probleempjes.’
‘Tsja,’ zegt hij.
‘Nou,’ zeg ik, ‘Ik heb ‘m pas een week en ik kreeg na een dag al foutmeldingen op de boordcomputer. En het inspection lampje brandt. Dat is niet de bedoeling natuurlijk.’
‘Tsja,’ zegt hij nog een keer, ‘Je ken niet alles afdichten he.
‘Nee,’ zeg ik, ‘Maar ik heb hem volledig laten oplappen, aankoopkeuren, een grote beurt laten geven, een nieuwe APK er op en de distributieriem laten vervangen. Dus je zou toch zeggen dat het dan voorlopig even klaar is.’
De vervangen distributieriem voelt als een krachtig wapenfeit. Sinds vorige week weet ik pas van het bestaan van zoiets als een distributieriem. Sindsdien gebruik ik het woord minimaal één keer per dag. Het geeft me het gevoel dat ik technische dingen bijleer. Dat ik misschien ooit zo’n stoere chick in een tuinbroek van spijkerstof word die op een skateboard onder een oude pick-up gaat liggen sleutelen op een vrije zondag. Gewoon omdat ik graag aan mechanische dingen zit. Althans, dat laatste zou dan iets zijn waar ik naartoe zou groeien. Want momenteel weet ik niks van mechaniek.

Hij kijkt me aan met een blik die op mijn feminismeknop drukt.
‘Tja mevrouwtje,’ zegt hij, ‘Een APK is geen technische keuring he. Dat is banden, raamrubbers, ruitenwissers.’
‘Dat weet ik, zegt ik, en daarom heb ik-…’
‘U moet niet denken dat ze dan naar de motor kijken, of naar de algehele gesteldheid van de auto.’
‘Ja, maar de aankoopkeuring,-…’
‘Dat is een groot misverstand,’ zegt hij, ‘bij sommige…’ Zijn blik gaat over me heen. ‘…kopers. Over de APK.’
‘Dat begrijp ik,’ zeg ik, ‘maar juist daarom heb ik-…’
Maar nu is hij op stoom.

Ik onderdruk de neiging om heel hard ‘distributieriem!’ te roepen. Sterker nog, ik besluit te zwijgen. Deze man praat niet tegen mij. Deze man praat tegen eindelijk-een-publiek. Deze man praat tegen zijn vrouw thuis die nooit vragen stelde over hoe zijn dag was geweest. Die hem nooit vroeg om haar nog eens te vertellen over die ene absurde oldtime motor waar hij van de week aan had mogen sleutelen. De vrouw die uiteindelijk helemaal niks meer vroeg. Die zonder iets te vragen de frituurpan, hun verzameling porseleinen herderinnentjesbeelden en zijn raskat Sjef meenam. Die zelfs niet meer belde om te vragen of ze Sjeffie mocht laten inslapen, toen hij een paar jaar later ziek werd.

Hij praat tegen het eindelijk-eens-publiek voor zijn frustratie over het verdwijnen van de groentenboer op de hoek. Niet omdat hij nou zo graag groenten eet, maar omdat de buurt daar samenkwam. Onder de luifel voor de winkel op opklapstoeltjes tussen de andijvie zitten. Peuken en sigaren doven op de vensterbank waar niemand het zag. Een asbak tussen het raam en de bloemkolen geklemd. Praten zoals mannen dat alleen onder elkaar kunnen. Over alles en vooral heel veel niks, met lange tussenpauzes en veel stilte, maar met een diep gevoel van vriendschap.

Maar de mannen waarmee hij  bij de winkel hing kregen longkanker, dingen aan hun prostaat, hadden een huis zonder trap nodig. “Veel te jong”, zeiden ze iedere keer dat er weer iemand van hun vaste clubje wegviel. Tot de groenteboer op een middag een flesje jenever tevoorschijn haalde. Vier glaasjes had hij op de bar gezet. Ze waren toen nog maar met z’n drieën, plus de groenteboer. Het was hen al wel opgevallen dat sommige schappen in de winkel leeg bleven de laatste tijd. Maar slechte oogsten kwamen voor, zeiden ze tegen elkaar, ze zochten er hardnekkig zo lang mogelijk niks achter.
‘Ik houd er mee op,’ had de groenteboer gezegd, ‘Ik ken het hier niet meer.’
Ze zagen de bodem van hun glaasjes pas toen de tweede fles jenever leeg was. Ze zouden de winkel heropenen zeiden ze, familie overhalen naar hier te verhuizen. De wijk zou weer worden zoals vroeger.

De volgende ochtend was de groenteboer dood. Iets aan zijn hart, naar het schijnt.
‘Gisteren zag hij er nog springlevend uit,’ zeiden ze tegen elkaar, ‘Geen vuiltje aan de lucht.’ Dit was het moment dat de monteur de les leerde dat uiterlijk vertoon niks zegt over de ware gesteldheid van dingen. En dus bleef hij aan de binnenkant van auto’s sleutelen.

Er kwam een winkel met dadels en noten en hem onbekende fruit- en groente soorten op zijn hoek. Hij kocht er nooit iets. Uit principe.

Zijn laatste twee groenteboer-vrienden verdwenen kort na elkaar. De één struikelde over zijn bejaarde teckel, viel van de trap en brak zijn nek. De ander verdween spoorloos. Iets met zwart geld en schulden. De monteur wist niet of hij het geloofde. In alle jaren dat ze tussen de andijvie hadden gezeten had de man er nooit met een woord over gerept. Hij trok zich terug achter de glas-in-loden lampenkappen die in zijn vensterbank stonden. Hij begreep de wereld niet meer.

‘…-Wat is er met je hand gebeurd?’ breek ik in.
Hij knippert een paar keer met zijn ogen. Alsof hij weer even moet landen, op de betonnen vloer van de werkplaats. Alsof het even duurt voordat hij doorheeft dat iemand hem een vraag stelt. Nu. Over zichzelf.
Hij kijkt naar zijn hand alsof het hem nu pas opvalt dat het bloed eraf druipt als water uit een lopende kraan.
‘Verrek,’ zegt hij, ‘Dat gebeurt me vaker de laatste tijd.’
Hij toont me zijn handen. Op zijn andere vingers zitten nog nauwelijks genezen, knobbelige wonden. Hij gebaart naar de motorkap achter zich. ‘Ze heeft scherpe tanden,’ zegt hij.
Ik grinnik. Ik hou mijn eigen, bepleisterde linkerhand op. Ik haalde gisteren mijn vinger open aan de scherpe rand van mijn tank klep hendeltje. ‘De mijne ook,’ zeg ik.
Zijn mondhoeken trillen. Het is bijna een glimlachje. Hij kijkt me recht in mijn ogen aan. Voor het eerst.
‘Zal ik er gewoon eens even naar kijken voor u?’ zegt hij, met een knikje naar mijn auto.
‘Dat lijkt me fijn,’ zeg ik. Laten we beginnen met iets wat we wel kunnen oplossen, denk ik.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)