Nieuwste onderwerp

Connected

Op de een of andere manier is het me na weken tijd eindelijk gelukt: ik heb een afspraak bij de Apple Store in Amsterdam. De details zal ik je besparen, maar laat ik zeggen dat vijf dagen lang tijdens een winter in de ijstijd voor de deur van de Apple Store slapen waarschijnlijk een makkelijkere onderneming was geweest. Inclusief de sabeltandtijgers en de hondsdolle, verhongerwinterde mammoeten die daarbij zouden zijn komen kijken. Om nog maar te zwijgen over zwart wordende tenen en-.. nouja, je hebt ‘m. Een afspraak maken was een kruisgang.

Vlak naast de ingang bevindt zich een wenteltrap met doorzichtige glazen treden. Alsof je opklimt naar een soort hemel. Daar bovenaan moet ik zijn. Men noemt deze verdieping, ik verzin dit niet, de Genius Bar. Aldaar zullen de Apple-goden al mijn vragen over mijn laptop, liefdesleven en wereldvrede beantwoorden om me vervolgens op een wolkje van opgeluchte blijdschap weer de deur uit te blazen.

Met mijn hoofd in mijn nek sta ik onder aan de trap. Opkijkend naar daar waar de trap naartoe leidt. Opeens staan er twee mensen in een zwart apple-uniform voor me. Ze kijken me streng aan en houden een tablet in hun handen.
‘Afspraak?’ zegt een jongen met strak opzij gekamd dik zwart haar.
Ik knik met half geopende mond.
‘En wat is uw naam?’ zegt de jongen.
‘Smeenge,’ zeg ik, ‘Marlies.’ Alsof het een inschrijving in de basisadministratie betreft in plaats van een bezoekje aan een klantenservice. Maar dit is ook veel meer dan een klantenservice. Dit is een universum op zich. Ik stel me zo voor dat er daar op de bovenverdieping deuren gaan zijn waarop staat “Hier ontstaat het internet” en “Achter deze deur bevindt zich de oerknal” en “Niet storen: Hier wordt die nieuwe Mahatma Gandhi gemaakt”.
De jongen knikt en spreidt zijn arm uit naar de lege trap. Er worden meer mensen weg- dan omhoog gestuurd. En ik hoor bij de laatste gelukkige groep.
‘Gaat u gang,’ zegt hij.

Boven aan de trap wacht een glimlachende man met flinke baard me op. Hij steekt een hand naar me uit. Ik schud hem.
‘Marlies? Je mag daar aan de bar plaatsnemen. Ik zal mijn collega laten weten dat je er bent.’
Ik knik ademloos en loop als een slaapwandelaar naar de “bar”: een soort statafel van minstens vijftien meter lang met hoge stoelen. Aan de ene kant de klanten met hun kwijnende producten. Aan de andere kant staan zij die het antwoord op alles weten.

Mijn laptop ligt als een vogel met een gebroken vleugel tussen ons in op de bar. Nog steeds prachtig, maar totaal onbruikbaar voor dat waar ze voor bedoeld is.
Mijn Genius heet Wensley. Hij bevoelt haar heel voorzichtig en koppelt haar via allerlei kabels aan een infuus dat onder de bar verstopt zit.
‘Ik ga haar even helemaal voor je doormeten,’ zegt hij met een glimlach. Ik ben blij dat hij ook doorheeft dat het een zij is.

Naast me ploft een man neer. Eind veertig. Van dat zwarte haar wat hij telkens met een volle hand vastpakt om naar achteren te strijken, maar wat vervolgens weer in een perfecte scheiding valt. Hij doet iets waarmee hij veel geld verdient en waarbij hij veel in het buitenland kan zijn om andere vrouwen dan zijn eigen vrouw te naaien.

De man begint spontaan tegen de jongen aan zijn andere kant te praten. De jongen draagt een petje hoog op zijn hoofd en zo’n heuptasje schuin over zijn schouder. Een vreemde gesprekspartner voor deze zakenman, maar het gaat zo vanzelf dat ik aanneem dat ze elkaar kennen.
Dan zie ik vanuit mijn ooghoek dat de jongen zo’n beetje met zijn rug naar de man toegedraaid zit.
‘…dus ik zit daar in Kaapverdië… Nah, helemaal slecht gaan mattie, dat wil je niet meemaken hoor, allejezus, godverdomme, laat me je dat wel vertellen,’ zegt de man om amicale toon tegen de jongen die hem overduidelijk nog nooit eerder gezien heeft.
De Genius van de man komt aangelopen.
‘Aha!’ roept de man.
‘Arend,’ zegt de jongen, en steekt zijn hand uit, ‘Ik ben Toni.’
Arend neemt Toni’s hand niet aan en grist zijn telefoon van de bar.
‘Mijn iPhone is helemaal kut naar de tering en jij,…’ Arend prikt Toni midden op zijn borstkast, ‘…gaat dat nu voor me oplossen.’
Toni kijkt hem een paar tellen stomverbaasd aan. Dit kwam niet voor in mijn training, zie ik hem denken. Hij herstelt zich.
‘Daar ga ik mijn uiterste best voor doen.’
Arend sluit geïrriteerd zijn ogen, alsof dit al een ellelange discussie is en Toni maar niet wil luisteren. ‘Nee, je gaat het godverdomme oplossen, want dit is helemaal kut en ik wil mijn telefoon weer terug.’
‘Ik ga mijn uiterste best doen,’ zegt Toni.
‘Ja, en een beetje meer.’
Arend draait zich om op zijn barkruk en bestudeert de zaak. Draait zich dan weer terug. ‘Heb je het al opgelost?’
‘Wat is precies het probleem meneer?’
Arend zucht diep. ‘Die fucking apple maffia.’
‘Pardon?’
Arend grist zijn telefoon terug. ‘Hij doet allemaal dingen die een iPhone helemaal niet hoort te doen, hij blijft maar aan en aan en aangaan, maar hij gaat nooit áán, snap je?’
Toni pakt de telefoon en probeert hem aan te zetten. En inderdaad. Het arme ding blijft maar opnieuw opstarten.
‘Wat is er met uw telefoon gebeurd?’
‘Jaaa,…’ zegt Arend. Hij leunt tegen de bar aan alsof hij dronken een verhaal staat te vertellen, laat zijn ogen over de verdieping dwalen. ‘Is koffie overheen gegaan. In Kaapverdië.’
‘Aha,’ zegt Toni, op een toon alsof ongeveer negenhonderdvierennegentig van de duizend stappen naar een sluitende conclusie nu wegvallen.

Ik word me opeens weer bewust van Wensley naast me. ‘Zou u deze voorwaarden alstublieft even door willen lezen? Dan kunnen we haar klaar maken voor verzending.’
Verzending. Mijn laptop. Mijn televisie. Mijn luik naar de wereld. Mijn bankier. Mijn winkel. Mijn werk. Ze gaat weg. Het dringt maar nauwelijks tot me door. Ik wil weten hoe het Arend en zijn verdronken telefoon vergaat, en scan snel door pagina’s aan tekst heen.

‘Dus je zegt dat-ie gewoon helemaal finaal naar de confettitering is?’ zegt Arend.
Toni ontkoppelt Arends telefoon van het infuus en knikt. ‘Dat vrees ik wel ja.’
‘Godverdomme. Nou ja dat valt dan gelukkig wel binnen jullie eerste jaar garantie want dat zou er nog eens moeten bijkomen van niet.’
‘Ik vrees het niet meneer, deze telefoon is aangeschaft in 2016.’
‘Dat lul je, stuk afval, toen was die hele fucking iPhone 6 nog niet uitgevonden.’
Toni is dan misschien wel een beetje een sociaal incapabele tech-nerd die totaal niet opgewassen is tegen dit doorgesnoven coke-geweld tegenover hem, maar nu heeft Arend toch echt een misstap begaan.
‘Jawel meneer,’ zegt hij met een miniscuul glimlachtje, ‘Toen was de 6 er al wel.’
Arend zwelt op. Alsof er opeens een dubbele hoeveelheid bloed door zijn toch al niet geringe anderen pompt. ‘Het kan me godverdomme niet schelen of je je moeder er voor moet verkopen. LOS. HET. GEWOON. OP.’
Voor zover iemand op de hele verdieping zich nog op zijn eigen problemen aan het focussen was is dat nu voorbij. Het bliksemt aan de Genius Bar en iedereen kijkt er met open mond naar.
Opeens slaat Arend zijn tas van de bar af. Wensley vangt hem nog maar net op, maar dat lijkt Arend totaal te ontgaan.
‘Geef me dan een nieuwe? He? Dan neem ik de volgende keer wel de bon mee. Voor de garantie. Ik ben mijn bon kwijt maar dan regel ik die wel. Of zo.’
Arend beent een paar stappen bij de bar weg en draait zich dan dramatisch om. Er staan tranen in zijn ogen. Ongespeeld, niet om te manipuleren, daadwerkelijke tranen omdat hij totaal onthand en ontdaan en in paniek is.
‘Ik wil godverdomme gewoon weer connected zijn,’ schreeuwt hij, ‘Ik wil gewoon weer in verbinding staan met de dingen. GEEF ME DAN GEWOON EEN NIEUWE. Ik wil dat je het NU oplost.’
‘Daar komen wel extra kosten bij kijken meneer,’ zegt Toni, onverstoorbaar. Als dit wordt gefilmd voor trainingsdoeleinden staat het Geniussen-klasje nu op hun tafels te juichen.
Arend legt zijn beide handen op de bar en slaat een oerkreet uit. Beter kan ik het niet omschrijven. Diep. Rauw. Het voelt alsof ik zijn stembanden kan horen scheuren. ‘CONNECT ME!’
Het petje van de jongen aan Arends andere kant is van zijn hoofd gevallen. Hij heeft het niet door.
Toni vertrekt geen spier. ‘Meneer, ik doe mijn uiterste best om u te helpen. Ik zou het prettig vinden als we op een normale toon met elkaar kunnen communiceren.’
Arend lijkt een klein beetje in te zakken. Van opgepompt is hij opeens ineengekrompen. ‘Het spijt me jongen, het spijt me, ik ben alleen gewoon zo gefrustreerd. Het is niet tot jou gericht he? Het is gewoon zo fucking moeilijk nu allemaal. Dit is geen leven.’
En dit wel? Hoor ik iedereen om me heen denken. Maar Toni gaat niet in discussie over de totale redeloosheid van alles wat hij zonet over zich heen heeft gekregen.
‘In dat geval ga ik alles voor u in orde maken.’

Wensley schraapt zijn keel naast me.
‘Ze is klaar voor inname,’ zegt hij. Hij kijkt me lang aan. Kijkt dan over mijn schouder.
Opeens staat er een man in apple uniform naast me.
‘Arend?’ zegt hij, en steekt zijn hand uit. Deze keer pakt Arend de hand wel aan. ‘Allard. Ik kom even een praatje met je maken.’

Beduusd kom ik de winkel uit. Zonder laptop. Zonder wolk. Zonder hoop voor wereldvrede of levensadvies.

Ik vraag me af of ze een speciale deur op de Geniën-verdieping hebben voor mensen zoals Arend, waar Allard hem nu mee naartoe neemt. Een deur met enkel een slot aan de buitenkant, waarop een bordje hangt met een nondiscripte tekst zoals “Alleen toegankelijk voor mensen die echte kwaliteit weten te waarderen”. Een deur waarvan je het bordje er af kunt halen, om het bordje dat eronder zit te lezen. “Enkel toegankelijk voor mensen waarbij onze marketing eng goed heeft gewerkt.”

Ik ben benieuwd of ik Arend ben over tien jaar. Of ik dan coke snuif om het contact met alles wat er te connecten valt vol te kunnen houden. Ik vraag me af of dat is wat volwassen worden en succesvol zijn betekent, anno nu. Ik ben benieuwd of ik me dan  zal realiseren dat het zo ver is gekomen.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)