Nieuwste onderwerp

Stationshol

Het is een ijskoude maandagochtend in november en voor de zoveelste keer op rij is de intercity direct, zoals mijn vrienden dat zeggen, “niet mijn bitch”.

Ik hield mijn ogen een seconde langer dicht terwijl ik de hoek van de gang onder de perrons in liep. Biddend tot iets in de kosmos dat vandaag een jubeldag ging worden en dat al mijn vooroordelen over het openbaar vervoer in Nederland op het punt stonden ontkracht te worden. Maar helaas.

De hal staat vol met reizigers die net als ik hoopten op een andere loop van deze ochtend.

Op de één of andere manier lijkt deze trein het uitzonderlijke privilege te hebben om een minuut voor vertrektijd opeens onverklaarbaar van de aardbodem te verdwijnen. Het enige positieve hieraan is dat een klein deeltje van mijn brein hierdoor nog steeds kan blijven geloven dat Harry Potter echt bestaat. Maar dat is een schrale troost, mijn voeten worden er niet minder koud van.

We wachten met z’n allen in de hal onder de perrons. Boven waait de wind en is de zon nog nauwelijks op. Als dieren in een hol verschuilen we ons in surrogaat vachten. We proberen ons te warmen aan de dampen van warme, door de NS aangeboden smeergeld dranken waaraan we direct onze tong verbranden. Dit houdt ons gefrustreerd maar stil.

Rechts voor me staan twee bejaarden als ineengedoken, slapende vogels. Zij laat haar hoofd rusten op zijn schouder, zijn eigen hoofd leunt tegen het hare aan. De patsers, denk ik. Beetje vrijwillig tussen al die mensen gaan staan die nog wel ergens naartoe moeten. Beetje laten zien hoe weinig haast ze hebben. Beetje pronken met hoe je steeds minder slaap nodig hebt als je ouder wordt, en hoe je dan vrijwillig om half 7 ’s ochtends op station Breda gaat staan. Met je geliefde gewoon fijn warm naast je, in plaats van nog in het bed waar je jezelf uit hebt moeten losscheuren zonet.

De gemiddelde bejaarde haalt regelmatig een diepgewortelde frustratie in me naar boven. Zeker op momenten zoals dit. Op de één of andere manier lijken ze te vinden dat ze alles kunnen maken, nu hun dienst er op zit. En daar ben ik ontzettend jaloers op.

Zoals een gesprek met me aanknopen over een volstrekt willekeurig onderwerp – zoals het verdwijnen van hun lievelingskauwgomsmaak van het huismerk – terwijl ik dertig doden sta te sterven met een zwangerschapstest in mijn handen bij het Kruidvat. Een test die zelfs zij met hun oude ogen écht wel moeten hebben gezien.

Of voordringen in de rij van de bus, alsof die aangename plek voorin met meer beenruimte nog niet genoeg was. Om het vervolgens op een luidkeels klagen te zetten, met een schuin oog op een vrouw met een hoofddoek om, over hoe alles vroeger beter was. Toen Nederland nog hun Nederland was.

Nee, wil ik dan zeggen, vroeger was alles gewoon anders. Omdat er toen van alles nog niet gebeurd was wat nu wel gebeurd is. Bovendien deed hun lichaam het toen nog en was er een eindeloze toekomst om over te dromen, maar dat heet simpelweg ouder worden en is niet de schuld van immigranten en generatie X. Maar dat zeg ik nooit.

Anderzijds irriteren bejaarden me eigenlijk vooral omdat ze me bang maken. Ze spiegelen me een toekomst voor die voor hetzelfde geld de mijne is. Met name bejaarde koppels beangstigen me. Zouden mijn lief en ik ook ooit zo worden? Zou er een moment komen dat één van ons maar gewoon niet meer praat omdat de ander het toch altijd beter lijkt te weten? Of zouden we helemaal niet meer met elkaar praten omdat we gestopt zijn de wereld te ontdekken en elkaar niks meer te melden hebben?

Het bejaarde koppel blijft beneden in de hal staan. Er zijn als zeker zes treinen in alle windrichtingen vertrokken. Ik kan me niet voorstellen dat er vandaag nog een trein gaat komen die ze willen halen. Ze staan daar gewoon maar. Te kijken naar iedereen die nog werk heeft om naar toe te gaan, kinderen om zich voor naar huis te haasten vanavond en geliefden ver weg om naartoe af kunnen reizen. Misschien gaat het ze daar wel om. Misschien trotseren ze de kou om te zien hoe het met ons gaat. En misschien irriteren ze me daardoor een heel klein stukje minder.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)