Nieuwste onderwerp

Stijfsel (38)

We lopen over de donkere stoep, langs donkere keurig gesnoeide heggen en oprijlanen waar Range Rovers en Mini Coopers staan te wachten op hun eigenaars. Rutger en ik lopen voorzichtig hand in hand. Met losse grip, alsof we elkaar ieder moment snel los kunnen laten zodra er een tegenligger aan komt. Het zou niet nodig moeten zijn in zo’n nette buurt.

‘Waarom moet je morgen naar je tante?’ vraag ik na een tijdje.

‘Hmm…’ mompelt hij en kijkt me niet aan.

‘Je ging morgen toch naar je tante,’ zeg ik, ‘in Wassenaar toch?’

‘Oh ja,’ nu kijkt hij me aan. Hij fronst zijn wenkbrauwen zo dat er diepe plooien ontstaan boven zijn neus. ‘Geen idee, koffie drinken waarschijnlijk, de tijd doden, ik heb het m’n ouders beloofd.’

‘Wel jammer dat je niet kan blijven slapen.’

‘Nee, anders was ik ook echt wel gebleven hoor.’

We steken hand in hand een brede straat over waar op dit uur nauwelijks auto’s rijden. De weg scheidt de keurige woonwijk van een wijk aan kantoorgebouwen, gebouwen waar ‘s nachts altijd het licht aan blijft.

‘Ik vraag me echt al sinds ik jong ben af waarom ze daar de lichten altijd aan laten in die kantoorpanden,’ zeg ik.

Rutger fronst weer, nu nog strakker. ‘Wat?’

‘Dat ‘s nachts het licht blijft branden daar, dat is toch vreemd.’

‘Wat kan jou dat nou weer schelen?’

‘Het is toch niet nodig en het is slecht voor het milieu.’

‘Ach milieu-maffioos.’

De rest van de wandeling zeggen we niets meer tegen elkaar. We lopen hand in hand van kantoorpand naar kantoorpand, tot we weer bij een brede weg komen en oversteken naar het station.

In de nieuwe hal van het station loop ik maar mee tot de poortjes. ‘Nou tot snel hè.’

‘Tot snel,’ zegt hij maar loopt nog niet weg. Hij kijkt even naar links, naar rechts, alleen zijn pupillen bewegen zijn hoofd niet. Midden in de stationshal zoent hij me. Het duurt geen minuten, maar te lang om het een vlugge zoen te noemen. Vanuit mijn ooghoek zie ik iemand kijken, ik sluit m’n ogen weer en laat het gaan.

Rutger maakt zich van me los. Hij pakt me bij m’n rechter schouder en kijkt me even aan.

‘Waarom deed je dat nou zo in het openbaar?’

Hij knijpt in m’n schouder, ‘laat het gaan.’ Hij kust me nog een keer op m’n wang. ‘Ik zie je snel.’ Hij pakt zijn portemonnee en loopt door de poortjes. Nog een keer draait hij zich om en zwaait nog even voor hij afdaalt naar zijn perron.

 

Op mijn kamer klik ik het licht weer aan en blijf even in de deuropening staan. De ruimte voelt nu anders. Normaal gesproken heb ik een hekel aan mensen die spreken over sferen of energie in een ruimte. Maar ik kan niet meer kijken naar het parket, zonder voor me te zien hoe Rutger net nog over de piepende latten kroop.

De beslapen dekens liggen als een verfrommelde krant op het matras. Ik trek ze van het bed en daar liggen het masker, de staart, de halsband. Maar Rutger heeft blijkbaar ook zijn boxer laten liggen, donkerpaars met groene polopaardjes. Ik pak het met beide handen vast en bekijk hem van binnen, brandschoon, geen enkele bruine of gele plek te bekennen. Even duw ik het kruis tegen mijn neus, het ruikt een beetje naar zweet maar ook naar wasmiddel. De boxer vouw ik dubbel, dan nog een keer en leg hem in mijn bovenste bureaula, samen met de condooms. De staart hou ik in de badkamer onder de hete kraan en droog hem af met de handdoek waarmee Rutger zich net ook heeft afgedroogd. Alle drie de speeltjes doe ik weer in dezelfde boodschappentas en schuif hem onder het bed. Zelf ga ik maar in bed liggen en probeer alvast te slapen.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Maxim Gorki, Jack Kerouac, Joost de Vries, Marguerite Duras

Wat luister ik?

David Bowie.

Wat kijk ik?

House of Cards

Quote

“Sweatpants are a sign of defeat. You lost control of your life so you bought some sweatpants.” -Karl Lagerfeld