Nieuwste onderwerp

Zeemacht

Tijdens een reis die ik maakte om tot mijzelf te komen, bezocht ik een veldhospitaal. Ik stuitte er op, per toeval. Het was niet een van de bezinningsactiviteiten die ik had ingepland. Nou reisde ik niet volgens een strak schema. Expliciet niet zelfs.
‘Echte innerlijke vastigheid vind je pas als je al het andere loslaat,’ zei mijn gymdocent ooit tegen me. Een geweldig advies als je het mij vraagt. Ik bracht het die les meteen in praktijk door op het hoogste punt de trapeze los te laten. Er was niemand die dat geweldig vond. Ik ook niet, moet ik toegeven. Al vond ik wel het meest innerlijke dat je van jezelf kunt vinden door de openbotbreuk die ik opliep. Per slot van rekening is een skelet iets dat echt in ons zit.

Het veldhospitaal wordt niet meer gebruikt als veldhospitaal. In eerste instantie dacht ik dat het leeg stond. Juist om die reden begaf ik me op het overwoekerde zijpad. In een leeg pand zag ik de kans om de ruimte te vullen met mezelf.
Die ruimte was er niet, omdat een groep nomaden het veldhospitaal bewoont. Ze doen dit illegaal, vandaar de ogenschijnlijke leegstand aan de buitenkant.

Ik bleek de derde persoon te zijn die daadwerkelijk het veldhospitaal betrad. Ze zaten er ruim genomen elf jaar. Ik vroeg hoe dat kon, als nomaden zo lang op één plek wonen.
‘Wij trekken rond in ons hoofd, vreemdeling,’ zeiden zij allen tegelijk.
Het was als een religieuze ervaring. Als een engelenkoor. Beeld het je in: minstens een dertigtal mensen, wenden zich tot je, geven antwoord in koor, luid hè; geen voorzichtig volume, hun stemgeluid onmogelijk te ontsnappen.
Ik vergat mezelf volledig. Het was dat ze ‘vreemdeling’  tegen me zeiden, anders zou ik zweren gedroomd te hebben over engelen die een van hun heilige frasen verkondigden. 

‘Jullie zijn net engelen.’
‘Dank je, vreemdeling,’ antwoordden de nomaden, geloof het of niet, wederom tegelijk.
Ik kreeg een rondleiding door het veldhospitaal. De nomaden droegen geen schoenen, dus deed ik de mijne uit. Dat vonden ze attent van me. Ik vertelde over de sokken met oranje visjes die ik aan had, dat ik ze in nog zes andere kleuren heb. ‘Elke dag een andere vis!’ Voor ik me kon verontschuldigen voor mijn overenthousiaste uitspatting, trok een van de jonge vrouwen die me rondleidde mee aan mijn arm.
Je voortbewegen in het veldhospitaal ging lastig. De vloer lag vol met kussens en daarop de nomaden zelf. Ze waren met meer dan het aantal waarvoor het kleine veldhospitaal bedoeld kon zijn. In elk geval ervoer ik het zo, de nomaden leek het niet te deren dat er nauwelijks loopruimte was en dat ze in elkaar verstrengeld lagen. De armtrekkende rondleidster manoeuvreerde zich blindelings door en over alles heen. Ik stapte op tientallen lichaamsdelen. Omdat ik niet wist wat bij wie hoorde, bood ik iedereen die we passeerden mijn excuses aan.
‘Heb geen spijt, vreemdeling, ieder mag hier gaan en staan waar die wil,’ was enkel wat ze zeiden. Geen vertrokken gezichten of kreten van pijn.

‘Wij hebben het bezit over een omvangrijk aantal visnetten.’ De rondleidster gebaarde naar een bult geknoopt touw. ‘En hier hangt nog een beduidende hoeveelheid.’ Me vastpakkend bij mijn schouders draaide ze me een kwartslag, zodat ik zicht kreeg op een van de houten wanden. Ze hadden de visnetten met felle kleuren aan de wand gehangen. Een van de touw lag in dezelfde kleurschakering als de oranje visjes op mijn sokken.
‘Wat gezellig,’ zei ik. Daarna vroeg ik waarom ze zo’n omvangrijk aantal visnetten hebben als er in de omgeving van het veldhospitaal geen enkele vorm van bevisbaar water ligt. Een andere nomade legde me uit dat dat te maken heeft met hun illegale verblijf.
‘Bij controle van overheidsinstanties doen wij ons voor als zeemacht,’ zei hij, ‘Dat zullen we natuurlijk nooit worden, net zoals een waadvogel nooit een eend zal zijn, maar dat hoeft ook niet.’
Ik knikte. Een tijdje keken we samen naar de visnetten. Ik vroeg of ze wel ooit vis zouden willen vangen. Het idee van zoveel visnetten en nooit één gevangen vis maakte me emotioneel.
‘We zouden heel graag gevangen vis willen hebben, vreemdeling, heel graag,’ zei de nomademan.
Ik trok mijn linkersok uit en hing die in een visnet van koningsblauw touw. Samen keken we naar de oranje visjessok in het net.
Dank je, vreemdeling, ontzettend veel dank,’ spraken de nomaden allen tegelijk.        

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

de krant, Elvis Peeters, Niccolò Ammaniti, achterzijdes van shampooflessen en medische boeken

Wat vind ik?

Dat mensen op Marktplaats moeten aangeven als een wit product gebroken wit is.

Wat luister ik?

Jake Bugg, Bach (bij voorkeur de cello suites), Mogwai, Pascal Pinon en naar de jankende katten in de tuin

Wat kijk ik?

NPO documentaires, arthouse films

Quote

It's raining cats and dogs and I have a rabbit.