Nieuwste onderwerp

Meat

Eerste: Link
Vorige: Link

Ik dacht dat we de snelweg zouden nemen, maar als we half op de berg zijn die Kroatië van Bosnië scheidt, realiseer ik me dat Google Maps de snelweg zes minuten trager vond dan dit boerenweggetje dat niet breed genoeg is voor twee auto’s naast elkaar.

We zien vier andere mensen. Boeren in kleine 1970-pick-uptrucks en tractortjes. Twee keer wachten zij op ons in de berm, twee keer moet Jurriaan naar achteren rijden tot er een plekje is waar het breed genoeg is voor de andere auto om te passeren.

Al na tien minuten omhoog gaat het brandstoflampje aan. Er zijn geen huizen in de omgeving, laat staan een tankstation. Wel staat er een wild paard op de weg. Het hinnikt verontwaardigd naar ons als we langzaam op hem af rijden. Als ik op mijn mobiel opzoek waar het dichtstbij zijndste tankstation is dan geeft Google aan dat we moeten keren, terug de berg af en alsnog naar de snelweg moeten gaan.
Jurriaan zegt dat hij daar geen zin in heeft en dus gaan we door. Hoe langer we omhoogrijden hoe banger ik word. Omhoogrijden kost diesel. Diesel die we niet hebben.

In de verte zien we de douanepost. Er zijn geen slagbomen, maar we blijven toch stilstaan. Het is verlaten en voor een paar seconde vragen we ons af of het illegaal is om zomaar langs een grenspost te rijden.
Dan gaat er een deurtje open en een geïrriteerd uitziende douanier kijkt ons vragend aan alsof hij wil weten, niet wat we hier op de grens doen, maar waarom we stilstaan.

Vanaf daar is het bergafwaarts. De brandstofmeter gaat iets omhoog, omdat wij nu omlaagrijden. Langs de weg zie ik een bordje ‘Danger, mines’.
Oh ja, dit land was tot twintig jaar geleden gegrepen door een oorlog en je moet niet zomaar de bossen in lopen omdat er actieve landmijnen liggen.

We komen aan in een dorpje en Jurriaan stapt uit om te vragen waar we een tankstation kunnen vinden.
Het antwoord is: dertig kilometer verderop in het volgende dorpje.

Dus wij rijden door en ik kijk met een schuin oog naar het metertje dat weer langzaam begint te dalen.
We rijden door een prachtig landschap. Een uitgestrekte vlakte vol kleine veldjes waar groente en fruit wordt verbouwd. Een groenblauwe rivier kronkelt met ons mee.

Langs de kant van de weg zitten tientallen mensen die allemaal precies hetzelfde verkopen. Fruit en sap.
Ik heb medelijden met ze. De armoe, het zitten, het wachten op jochies zoals ik.
Dan wijs ik mezelf terecht. Ik vraag me af of ze gelukkig zijn, ik vraag me af of ze gelukkiger zijn dan ik de afgelopen dagen ben geweest.

Na een te lange tijd komen we bij het tankstation. Terwijl we de auto volgieten met heerlijk geruststellende diesel kijk ik naar de verlaten fabriek voor me. De ramen zijn kapot en op de overgroeide binnenplaats zie ik een handvol oude en achtergelaten vrachtwagens staan.

In het dorp zelf staan veel huizen leeg. Ingestorte daken en planten die door ramen naar buiten steken. Overal zijn kogelgaten. Sommige huizen hebben de gaten dicht geplamuurd, maar er vervolgens niet overheen geschilderd waardoor er een lelijk contrast ontstaat tussen het nieuwe grijs van cement en het oude pleisterwerk.

Een groter gebouw in het centrum, misschien een school, heeft nog muren maar geen dak. Onkruid groeit tussen de oude plavuizen. De voorgevel is beschadigd door een granaat, of tien. Ik verdwijn in mijn hoofd waar ik een kleine groene ding voor me neer zie neervallen voordat er een explosie plaatsvindt. De granaatscherven slaan stukken steen en pleisterwerk weg. Een jonge man zoekt dekking en schiet op de ongeziene militant die de granaat gooide. Ik probeer de angst en adrenaline bij mezelf op te roepen. De pijn van wegslaand steen dat zich in mijn been en schouder boort, het gewicht van een geweer in mijn handen en de terugslag van de kolf tegen mijn schouder.

Hier, op deze plek, een meter bij me vandaag, twintig jaar geleden, verdrong iemand doodsangst om gebukt weg te springen van deze granaat. Zou hij nog leven? Zou ik nog leven als ik in zijn schoenen had gestaan?

Jurriaan roept me, met tegenzin verlaat ik de oorlog.
‘Honger?’
We gaan zitten. Een ober spreekt geen Engels, maar slaat het menu voor ons open en wijst. ‘Meat,’ zegt hij als hij naar de linker pagina wijst. ‘Meat,’ zegt hij als hij naar de rechterpagina wijst.

 

Het vervolg: Milos

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Ender's Game, Game of Thrones, The Magicians

Wat vind ik?

De zin 'Ik heb geen tijd' is onzin

Wat luister ik?

Reply All, Here Be Monsters, The Memory Palace

Wat schreef ik?

'Het geheugen van een olifant', prentenboek met Jan Jutte, uitgeverij Lemniscaat (2018)

Quote

Far and away the best price life has to offer is work hard at work worth doing - Theodore Roosevelt.