Nieuwste onderwerp

Stijfsel (22)

De stad voelde zo opgelaten, niemand op straat keek chagrijnig voor zich uit, groepjes mensen voeren in bootjes met luide muziek op door de grachten. De huizen stonden er bij alsof niemand thuis was, alsof de grachtengordelbewoners de stad even waren ontvlucht.

Op straat wilden mensen met grote pupillen high-five’s van me, of knuffelen. Met een vreemde mengeling van ongemak en vrolijkheid deed ik mee. Toen een meisje mij een harde knuffel gaf, met haar armen heel strak om mijn bovenrug gespannen, bedacht ik hoe idioot het was dat ik hier nog nooit was geweest op deze dag.

Ik liep stevig door over langs de Keizersgracht. Toen ik bij de Westermarkt kwam realiseerde ik me waarom juist hier zo’n groot feest was. Achter de Westerkerk lag natuurlijk het homo-monument. Die driehoek van beton waar je achteloos langs liep als je niet wist dat die er lag of wist waarom die daar lag. Vreemde plek voor zo’n monument eigenlijk, om de hoek van het Anne Frank Huis, alsof het gemeentebestuur het historisch leed zoveel mogelijk wilde concentreren.

Dat plein stond nu vol, vooral met schaars geklede mensen. Mannen in hemdjes, vrouwen in hoogzittende strakke topjes. Een groep mannen had ook geen shirt aan, maar hadden in plaats daarvan hun tepels afgeplakt met roze driehoekjes. Iemand hield een bos van piemelballonen vast, van dichterbij zag ik dat de piemels oogjes en lachende mondjes hadden. Alleen tussen deze mensen voelde ik me niet op mijn gemak. Ik baande me een weg door de menigte, werd ondertussen een paar keer in mijn kont geknepen en zocht Rutger en zijn vrienden. Die moesten er ongetwijfeld anders uit zien dan de rest van deze menigte. Maar ik zag ze niet.

Al snel maakte ik me los uit de menigte en liep naar een rustiger plek op het plein. Ik kwam langs het kleine bronzen standbeeld van Anne Frank, iemand had haar een regenboogsjerp om gedaan. Even twijfelde ik, of ik dat onrespectvol vind, of juist mooi. Ik bleef naast het beeldje staan en probeerde Rutger te bellen. Na drie keer overgaan nam hij op. Hij had al wat gedronken, dat kon ik horen aan zijn stem. Als hij een beetje aangeschoten was werd de hete aardappel in zijn bek twee keer zo heet.
‘Hé,’ hij rekte zijn klinkers heel lang uit, ‘waar ben jij?’
‘Op de Westermarkt, waar ben jij?’
‘Oh ja, kut,’ opeens klonk hij een stuk nuchterder, ‘Wij zijn nu ergens bij een Albert Heijn, we gaan zo wat eten in het appartement van iemands zus, maar jij gaat gewoon mee hoor.’
‘Oké,’ ik was even verward, ‘maar waar zijn jullie nu?’
‘Ergens bij een Albert Heijn, yo koper welke straat is dit?’ dat laatste schreeuwde hij naar iemand, ‘Elandsgracht of zo, dat is niet heel ver, we wilden even bier halen.’
‘Ik vind het wel, maar blijf daar.’
‘Oké tot zo babe, schiet wel op’
Voor ik iets terug kon zeggen verbrak hij de verbinding. Hij noemde me wel vaker babe, maar meestal noemde hij me zo als hij met anderen was, alsof hij toch de noodzaak voelde dominant over te komen. Op Google-Maps zocht ik op waar de Elandsgracht was, vijf minuten lopen.

Langs de Prinsengracht liep ik zijn kant op. Ook hier was het onverminderd druk, zowel op straat als op de gracht. Hoeveel mensen kon een stad aan? Hoe kon de politie dit veilig houden, hoe vond je tussen die hordes jonge mensen een terrorist? “We gaan letten op opvallend en afwijkend gedrag,” had de hoofdcommissaris vorig jaar in een interview gezegd, wat houdt dat in op een dag als vandaag?

Onderweg wilde weer iemand die overduidelijk aan de XTC zat een high-five van me, maar ik liep straal langs hem heen.

Ik loop langs de Elandsgracht, de gracht is er niet meer, dichtgegooid om extra parkeergelegenheid te creëren, maar het heette nog wel zo. Daar zag ik hem staan bij de Albert Heijn, alleen. Hij droeg een donkerblauw jasje, dat hem eigenlijk te groot was, met een lang grijs T-shirt eronder. Ik zwaaide naar hem, hij maande dat ik moest komen. Toen ik voor hem stond zoenden we, rustig, minder heftig dan normaal, hij smaakte naar bier en sigaretten.
‘Ben je daar eindelijk.’
‘Ja, waar is iedereen, of heb je ze verlaten?’
‘Nee, ze zijn binnen bier halen. Heb je er zin in?’
‘Waar heb ik zin in?’
‘Gewoon vanavond, dit is ook de eerste keer dat je mijn vrienden ontmoet. Ik moet je wel waarschuwen, de meesten zijn al kaal.’
‘Wat?’
‘Dat betekent dronken.’
Ik zei niets, vroeg me alleen af waarom het woord dronken dan niet volstaat, waarom daar een apart woord voor verzonnen moet worden. Op dat moment kwamen er nog drie jongens in morsige jasjes naar buiten, alle drie met een sixpack onder de arm.
‘Nou dit zijn de heren die nog over zijn.’ Alle drie de jongens waren overduidelijk dronken. Ik had spijt dat ik onderweg hiernaartoe geen flacon wodka had leeggedronken.

‘Paardekooper,’ zei een van de drie. Hij had als enige nog een beetje zijn best had gedaan voor deze dag, onder zijn jasje droeg hij een roze T-shirt en om zijn hoofd droeg hij een roze zweetband.
‘Hoi,’ zei ik terwijl we handen schudden, ‘Noah.’
‘Je moet wel je achternaam zeggen,’ zei Rutger.
Ik zuchtte, ‘Hakker, Noah Hakker.’
‘Wat is dat voor achternaam?’ vroeg een van de jongens die zich nog niet hadden voorgesteld.
‘Het is een Joodse achternaam.’
‘Zó, Rutje heeft een homo-jid aan de haak geslagen,’ zei de andere jongen die zich nog niet had voorgesteld.
Iets in me zei dat ik nu om moest draaien en weglopen. Maar de jongen die zich voor had gesteld als Paardekooper zag mijn blik, ‘Moet je je niet aantrekken, van Dorens is gewoon een botte lul.’
‘Hebben jullie ook een voornaam?’ vroeg ik.
‘Ik heet gewoon Maarten,’ zei Paardekooper.
‘Jules van Dorens,’ zei de botte lul.
‘Dennis ‘t Hoofd,’ zei de derde.
‘Zullen we dan maar?’ vroeg Rutger.
‘Ja! We gaan!’ Schreeuwde Jules onnodig hard.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Maxim Gorki, Jack Kerouac, Joost de Vries, Marguerite Duras

Wat luister ik?

David Bowie.

Wat kijk ik?

House of Cards

Quote

“Sweatpants are a sign of defeat. You lost control of your life so you bought some sweatpants.” -Karl Lagerfeld