Nieuwste onderwerp

Terschelling 3

(Zomerhitte)

‘Wat ligt ze er mooi bij hè, dacht ik toen ik haar zag liggen op het dek.’ is de perfecte openingszin voor de grafrede van een oude man, dacht je toen je haar zag liggen op het dek, op haar zij, hoofd op een gevlochten rieten tas vlak naast de balustrade, nog geen kwartier uit de haven, haar gezicht naar het water, blik in de richting van een boek waarvan je de titel pas kon lezen toen ze zich later omdraaide en uitrekte om kopje koffie in de lounge te halen. Maar terug naar dat moment, hoe je daar zat, rug naar de ventilatieschacht van de MS Friesland, waaruit een heerlijk zoemgeluid omhoog kwam dat je omarmde zo voelde dat, en hoe je haar rug zag, en, maar misschien moet je dit er later uitschrijven, je weet niet hoe haar familie is, hoe jullie vrienden, misschien begrijpen ze het ook wel, zijn de tijden dan heel erg veranderd, begrijpen dat het ook, goeddeels zelfs, aseksueel was hoe je naar haar keek, naar haar rug dus, en naar haar nek, naar haar wapperende haren in haar nek, naar haar benen, de schoenen met een logootje eronder, haar riem, haar billen, en je had haar gezicht nog niet eens gezien maar dit alles, een tafereel, caravaggiobruine haren op die fijn gevlochten tas, een groen hemdje, haar kuitlange zwarte linnenbroek, haar heupen, haar billen, je vond het niet wonderlijk dat ze Conservation and Restoration studeerde, gestudeerd had, restauratiekunde, net afgestudeerd, gefeliciteerd, maar ik blijf nog twee jaar om werkervaring op te doen, de mensen in het vak vinden dat je, en daar ben ik het mee eens, aan het eind van de studie nog niet klaar bent voor de verantwoordelijkheid van het zelfstandig restaurator, naar Midsland ging ze, naar het huis van de ouders van een vriendin uit Amsterdam en dat vond je jammer, dat ze daar woonde, zo was je in die tijd, daar woonde je ex-vriendin en je wist als je daar was niet welke kaaswinkels er waren om kaas te verkopen en welke om toeristen op te lichten en iedereen is daar ongevoelig hip en A B C (doorhalen wat niet van toepassing is).

A: dus hield je je aan je voornemen geen letter te schrijven terwijl je op het eiland bent.

B: dus heb je bij terugkomst net zo lang op combinaties van de zoekwoorden ‘Lisa’, ‘Amsterdam’ ‘UvA’ en ‘Conservation and Restoration’ gegoogeld tot je haar achternaam kende, en haar een facebookberichtje gestuurd of je dat boek van haar mocht lenen het ging over autobiografieën over de jaren vijftig in Amerika en over hoe herinneringen onbetrouwbaar zijn, ‘lekker postmodern,’ zei je maar dat grapje leek ze niet echt te snappen en jijzelf eigenlijk ook niet als je eraan terugdenkt.

C: dus jij naar Midsland, jij naar Midsland. Achter een meisje aan waarvan je niet weet of ze je leuk vond, in haar blik viel geen witte zakdoek te ontdekken, maar ook geen Meghan Trainor, maar ze liet opvallend duidelijk vallen toen je haar vroeg hoe lang ze al in Amsterdam woonde ‘nou ik ben nu 26 dus,’ en waarschijnlijk schatte ze jou wel ouder in dan je eigenlijk bent, zelfs al had je die ochtend nog je baard getrimd, en, zag je later in de tandenpoetsruimte van de camping, niet helemaal in evenwicht, links eindigde de lijn ter hoogte van je snor, rechts een halve centimeter daaronder, je schat vierentwintig misschien vijfentwintig dat ze je schatte, en de gemiddelde man is bij trouwen drie jaar ouder dan zijn vrouw en je vermoed dat dat bij intellectuelen meer is, dus moet het voor haar geweest zijn alsof zij zeventien of achttien was voor jou; je hebt ze gezien de zeventien of achttienjarige op het dek van de MS Friesland, en no way dat je ze wilde aanspreken whatever het ook was dat ze lazen, en terwijl je je dit bedenkt voel je plotseling dat je de afgelopen minuten een steeds kouder gevoel in je buik aan het krijgen was, je kaken drukken op elkaar terwijl er is niets aan de hand, je zit op een bankje en drinkt water; het is een boos gevoel de koelte, het gevoel dat je jezelf betrapt hebt op iets, op wat maakt niet uit maar je hebt jezelf ergens op betrapt: dat dit niet de bedoeling is. Je kwam naar het eiland om juist dit niet meer te doen, om je verbeeldingsvermogen te laten afkicken van deze gewoonte, om je NIET de hele tijd gaan inbeelden hoe anderen je zien om je niet ZWART te voelen maar mens, niet POTENTIËLE TERRORIST of AFHANKELIJK VAN OMSTANDIGHEDEN VERDACHT maar hier ga je, dit is precies hetzelfde als toen je een nieuwe korte broek nodig had en je de stem van je ex-vriendin steeds weer in je oren hoorde zingen: écht, díé?, maar hier ga je, hier fiets jij naar Midsland, jij naar Midsland. En je hoort je vader, alsof hij dood is en je vanuit de hemel hard in je oren fluistert: WE’RE NOT SO DIFFERENT YOU AND I WE’RE NOT SO DIFFERENT.

Soms…

Terwijl je naar Ameland kijkt lopen er je twee meisjes weg met hun moeder. Ze hebben net krabben geraapt of oesters, en dus ben je enigszins afgunstig; jij hebt geen emmer bij je en het lijkt je iets spannends om te doen, krabben koken met Lisa, en je je bedenkt een dialoog tussen een jongen van drie en een meisje van zes, waarin de jongen uitlegt aan het meisje waarom het niet zielig is om krabben levend in kokend water te gooien, omdat een zeemeeuw ze langzaam uiteen pikt en ze in de pan bijna meteen stoppen met bewegen, snap je?, maar toen ze dichterbij kwamen zag je dat Lisa er niet bij was en dus zeiden jullie alleen hallo zonder elkaar echt aan te kijken, zonder een boek open te doen een schrijfboek, een verhaal te beginnen zonder daarin te schrijven wat iemand komt doen, dat iemand conservation and restoration aan de uva studeert. Dan zit er een lieveheersbeestje op je been. Dat zijn echte killers heb je gehoord, maar hij heeft zijn pootjes ingetrokken en zit tussen je beenharen gewoon maar een beetje te zijn. Terwijl jij je bezighoudt, met groeten, denken en Lisa. Laat het toch gaan, lijkt hij te zeggen, te lachen, en je denkt aan de beatles, let it be en aan de gouden lach van churandy martina en aan je studieboeken over levenskunst en dan komt er een gezin langsfietsen en de vader zegt ‘Hé, kijk!’ en je draait je om en het lieveheersbeestje probeert weg te vliegen maar als hij zijn vleugels uitslaat vangen die een windvlaag en dus rolt hij om, ‘Hakim!,’ holderdebolder van je been af op je tas, af, tussen twee zeedijktegels, waar, ‘o nee, toch niet,’ zijn vleugels langzaam onder zijn schild bewegen en hij blijft zitten, de kier te smal voor je pink.

Je amandelen zijn bijna op. Je brood is drie dagen oud. Je wil een liedje schrijven dat Lisa heet maar je speelt geen muziek en kan niet zingen en niet rijmen. Je denkt aan Obama’s avondritueel. Je hebt geen zin om op te staan. Je hebt geen zin om op te staan. Schrijf je Lisa met een s of een z en maakt het uit als ze dezelfde naam heeft als je oma of je moeder. Je hebt geen grondzeil neergelegd omdat je je moeder geen gelijk wilde geven met haar dat moet. Je noemt je moeder en oma toch nooit bij hun naam? Noemde, oma is dood. Je had vroeger een vriend en die noemde zijn moeder ‘moeder’ en zijn vader ‘vader’ tot hij daar mee stopte, en ze bij hun voornamen ging noemen. Je vraagt je af hoe dat gesprek is gegaan. Je gelooft niet in geleidelijkheid blijkbaar. Je hapt in een amandel. Je bedenkt een prentenboek over seven young almonds who later on in life get eaten by the first african-american president of the united states of america. De plukker. De roosterfabriek. Het zoute water, de droogbak, het zakje. De leeszaal, de flaporen, het overhemd met de knoopjes open. De mond, het maagzuur.

Na vier dagen denk je steeds minder aan Lisa. Je kwam haar niet tegen, niet in Midsland, niet bij de Jumbo en bij de Coop die je hier ook gewoon hebt, een man op de camping vertelde je dat hij het in de veertig jaar dat hij hier nu kwam een rijk eiland had zien worden, een rijk eiland, en ook op het strand zag je haar niet, niet bij West aan zee, niet bij ‘t Formerums strand en ook niet bij Midsland aan zee, waar je wel Tommy Wieringa of een lookalike tegenkwam terwijl hij van het strand af kwam, en waar je je, vond jezelf, heel aardig redde uit een ongemakkelijke situatie bij een familiesnackbar waar je een raketje kocht en de moeder des snackbars daarna maar bleef herhalen hoe mooi ze je haar vond. ‘Bedankt voor het goeie gevoel,’ zei je, maar ik moet weer naar de camping. Naar mijn vriendin hè.’ Maar terwijl je terugliep voelde je het al, en de volgende ochtend toen je op de fiets stapte voelde je het nog meer, dat je zware benen had en dat je mondhoeken moeilijker omhoog kwamen bij tegenliggers, dat je goede gevoel begon te verdwijnen en dat je geen zin meer had in die verhalen, in Lisa, en waarvoor deed je het eigenlijk allemaal, Lisa.

Je pakt Houellebecq erbij in een duinpan en leest dat de tragiek van veertig worden is dat mannen vanaf die leeftijd een jongere vrouw dan hun eigen willen en dat de vrouw daardoor moet erkennen dat wat zij altijd verliefdheid had genoemd voor hem niets anders was dan begeerte. En een paar keer door de duinpan de zonnestralen achtervolgen later lees je hoe Bruno zich in de metro aftrekt terwijl hij naar mooie jonge meisjes kijkt en met dat beeld kon je eigenlijk niet zoveel – waarom zou je ook? – maar op het fietspad terug merk je de gedachte op dat het misschien een best wel accurate beschrijving van het verlegen leven is en gooi je het boek weg in een prullenbak naast een bankje met daarop een meisje dat je niet aankijkt, dat je zowel Lisa als niet laat.

De volgende ochtend ga je weg. In de trein van Harlingen haven naar Leeuwarden zoek je via Amazon preview uit wat de opdracht van This Boy’s Life was. Het was minder mooi dan in het zicht van de haven. In de trein van Leeuwarden naar Utrecht zoek je op alle mogelijke combinaties van Lisa, Liza, Amsterdam, UvA en conservation and restoration, en je vindt niets dat op haar bestaan wijst.

(Thuisgekomen begin je te schrijven.)

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Monica Rinck, Marie Calloway, Voltaire, en op het station meegegriste Jehova's Getuigenboekjes

Wat vind ik?

Ik ben een kind van de recessie

Wat luister ik?

Holly Herndon, Kanye West, Charli XCX en dat laatste album van Vince Staples, die is gaaf

Wat schreef ik?

I want to climb the mountain (2017)

Quote

"When I am coming back from a trip, the best part isn't going through the airport or getting home, but the taxi ride in between: you're still traveling, but not really." - Edouard Levé, Autobiographie