Nieuwste onderwerp

iPhone (1)

Het was misgelopen, de imperialisten hadden blijkbaar toch door de oosterse dekmantel heen geprikt. Dus zat hij nu hier, in de trein naar het hol van de leeuw. De treinreis naar Washington D.C. duurde een kleine drie uur. Inmiddels was hij toch wel nieuwsgierig geworden naar de inhoud van het tasje dat ze hem bij de winkel hadden gegeven. Hij pakte de nu enigszins verfomfaaide zak en haalde de twee doosjes eruit. Het witte model was bestemd voor de vrouw van de geliefde leider, de zwarte was voor de geliefde leider zelf. Op de voorkant van het doosje stond een afbeelding van het toestel, het leek te zweven op de witte achtergrond. Hij draaide het doosje een paar keer om, op beide zijkanten van het doosje stond, in het zilvergrijs, het iconische appeltje met de hap eruit. Op de achterkant stond een klein tekstje, ook in het grijs, bijna onleesbaar. ‘Designed by Apple in California, Assembled in China’, dat deed Yang goed, te weten dat de Amerikanen de arbeiders uit de Volksrepubliek China nodig hadden om deze apparaten en hun doosjes te maken. Daarna hield hij het zwarte doosje even vast. In zijn handen was het bijna alsof dit nu al een religieus voorwerp was. Hij keek op om te zien of zijn medereizigers hem opmerkten, wellicht vroegen ze zich af waarom die Aziaat die doosjes als een curiositeit behandelde; ze moesten eens weten.

Als alles goed ging zou de geliefde leider dit doosje binnenkort ook vast houden. Hij rook er aan, met zijn neus tegen het cellofaan gedrukt. Yang had de behoefte het open te maken, het apparaat even vast te houden, zijn spiegelbeeld te bekijken in het glas. Maar hij had strikte orders gekregen het niet te openen.

De trein reed het centraal station van Washington D.C. binnen. De angst besprong hem, zou zijn beeltenis niet al overal op straat hangen? Zou niet iedere FBI of CIA agent in deze stad en dit land nu naar hem op zoek zijn? Blijven zitten was onmogelijk, het schema was al verlegd, hij kon het onmogelijk nogmaals in de war schoppen.

Het station was imposant, met zijn hoge plafonds en marmeren vloeren. Hij vond het zelfs majestueuzer dan het station van zijn eigen hoofdstad. Eenmaal buiten belandde hij op een zonovergoten plein, hier prijkten drie grote vlaggenmasten, alle drie met een gouden adelaar in de top waardoor het leek alsof die beesten zelf de Amerikaanse vlag lieten vliegen. Rondom het plein nog meer vlaggenmasten, met een vlag van iedere staat. Hij keek op de grote klok die bij het station hing, het was pas half vijf.

Vanaf het station liep er een lange laan richting een groot wit gebouw met een witte koepel. Dat moest het Capitool zijn. Volgens zijn vliegticket had hij nog twee uur voor zijn vlucht naar China, en omdat hij in theorie alles wist van het westen, en in het bijzonder Amerika, was de drang groot om dit nu eens aan den lijve te ondervinden. Hij was opgeleid om het westen te kennen, te begrijpen, maar hier had hij nooit op durven hopen. Hij wist niet of het de bedoeling was om in zijn vrije tijd zijn gang te gaan, hij was hier niet over geïnformeerd, maar hij besloot optimaal gebruik te maken van deze, waarschijnlijk eenmalige, kans.

Toen hij zijn eerste stappen in de richting van de koepel wilde zitten bedacht hij dat hij zo onmogelijk door de straten van de federale hoofdstad kon lopen. Hij maakte rechtsomkeert, terug het station in. Ook hier waren natuurlijk weer genoeg winkeltjes en restaurants, de Amerikaan moest altijd kunnen consumeren. Bij een boetiekje kocht hij een petje en een zonnebril, dan was tenminste zijn gezicht niet meer herkenbaar. Het petje was donkerrood en droeg de beeltenis van een indiaan op de voorkant, “Washington Redskins” stond eronder, blijkbaar het plaatselijke American-Football team hier. Zo ging hij de stad in.

 

Het Amerikaanse congresgebouw benam hem toch even de adem, het was een immens gebouw, zowel in de breedte als in de hoogte. De staatsgebouwen in zijn thuisland verbleekten bijna bij die in zijn thuisland. Alleen imperialistische macht als Amerika kon natuurlijk zoiets doen verrijzen, een volk kan zulke bouwwerken alleen opwerpen over de ruggen van anderen.

Hij zou nu een ommetje maken door het park, proberen op te gaan tussen de toeristen. Hij kon natuurlijk ook alvast naar het vliegveld gaan, maat hij redeneerde dat het te gevaarlijk zou zijn om zo lang op zo’n zwaarbeveiligde locatie rond te hangen. Dus hij liep door het park dat hem langs veel belangrijke monumenten voerde. Waaronder het Witte Huis, waar sinds kort de nieuwe president woonde. De oranje man die kortgeleden nog beweerde dat de Amerikaanse vloot richting het arbeidersparadijs opstoomde, terwijl zij in de buurt van Indonesië voor.

Hij dacht na over zijn missie, die hem toch maar hierheen had gevoerd. De missie had hem toch zo simpel in de oren geklonken, maar eigenlijk was hij gedoemd te mislukken. Was dit de tactiek die het bureau erop nahield? Misschien wilden ze inderdaad van hem af en hadden deze nep-opdracht voor hem uitgedacht in de hoop dat hij simpelweg in de kraag zou worden gevat.

De kans dat hij hier in deze stad in de kraag gevat zou worden leek hem toch niet gering. Hij wist wat de Amerikanen deden met hun ergste vijanden, die verscheepten zij naar een vreselijke gevangenis op het zonnige Cuba. De Cubaanse kameraden wilden die gevangenis absoluut niet op hun eiland hebben, maar de imperialisten weigerden simpelweg te vertrekken. Yang werd als misselijk bij het idee dat hij een snikhete cel zou moeten delen met een jihadist. Hij zou de noeste winters van het moederland missen en terugverlangen naar zijn keurige staats-appartementje in het complex voor gezinsloze overheidsmedewerkers.

Yang maakte zich los uit deze gedachte. Een stukje verderop zag hij een groepje Aziatische toeristen, waarschijnlijk stinkende Japanners. Maar de Amerikanen zouden dat rassenverschil toch niet opmerken dus volgde hij de Jappen met hun selfiesticks op een gepaste afstand.

Een apart fenomeen vond hij dat, de selfiestick, maar de Japanse toeristen gebruikten het om alles vast te leggen. Alsof ze thuis moesten bewijzen dat ze alles, maar dan ook echt alles gezien hadden.

 

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Maxim Gorki, Jack Kerouac, Joost de Vries, Marguerite Duras

Wat luister ik?

David Bowie.

Wat kijk ik?

House of Cards

Quote

“Sweatpants are a sign of defeat. You lost control of your life so you bought some sweatpants.” -Karl Lagerfeld