Nieuwste onderwerp

Maandagmiddag

De pen van Magdalena krult over het papier. Met grote lussen als o’s schrijft ze het woord in één keer foutloos op. De anderen leerlingen hebben een kriegelig handschrift en duwen hard op hun pen, waardoor de stilte in het lokaal wordt onderbroken door gekrabbel. ‘Stóómlocomotief,’ herhaal ik.

Er zitten 18 kinderen in houten bankjes voor me, allen met een potje inkt en een blad papier voor zich, een pen in de hand. Dit is de hoogste klas, met de bijna pubers. De meisjes beginnen rondingen en borstjes te krijgen terwijl de jongens nog iel en klein blijven. Het is tijd voor de Nederlandse les en ik dreun woorden op die zij correct neer moeten schrijven. Hierna is de dag voorbij, nog een halfuurtje en dan mogen ze naar huis. Ondertussen wandel ik op de verhoging waar ook mijn bureau staat, heen en weer. Soms kijken ze naar me, maar ik ga snel genoeg om ze aan het schrijven te houden. Ik spreek de woorden langzaam en nadrukkelijk uit, alsof ik zwakbegaafden toespreek. ‘Journalistiek is het volgende woord, jongens en meisjes.’ Ik kijk over de gebogen hoofden heen en herhaal: ‘Journálístíék.’ Voorin zit mijn favoriete leerlinge. Ze heet Magdalena; de beste van de klas, zonder er arrogant over te zijn. Ze steekt nooit als eerste haar hand op, alsof ze weet dat als zij excelleert ze anderen in verlegenheid kan brengen, oude ziel die ze is. Ze merkt dat ik naar haar kijk, en wendt haar hoofd op. Twee donkerbruine ogen kijken me aan. Ze ziet er anders uit vandaag, met een jurkje aan en twee strikken in haar strak gevlochten haren, waardoor haar witte hoofdhuid goed zichtbaar is. Ze glanst een beetje, haar huid is vettiger geworden, haar geur zoeter.

Als hoofdonderwijzer heb ik het privilege de kinderen strenger te mogen toespreken dan andere onderwijzers. Ik kan ze tikken met een liniaal te geven zonder dat de ouders bezorgd worden. Aan mijn status leiden ze af dat ik zeker de goede keuze maakte toen ik hun zoon of dochter een passende straf gaf. Om mijn titel kracht bij te zetten, draag ik enkel donkerbruine pakken en mijn haar in een scheiding, voor op mijn neus balanceert een ronde leesbril.
De kinderen die ik lesgeef komen uit een goed milieu. Onze school staat in een mooie buurt vlakbij het centrum van de stad, en alleen de rijken kunnen hun kinderen onderwijs bieden. Hun ouders zijn vaak arts of advocaat, weinig thuis en kortzichtig. Je zou denken dat rijke mensen intelligent zijn, maar niets is minder waar. Deze ouders zijn zo vastgeroest in de patronen die ze hebben geleerd op die pretentieuze scholen dat ze niet meer kunnen na denken. Dat leer je af als je andere regeltjes aanleert. De kinderen van deze ouders zijn al niet slimmer, ze zijn stil en gehoorzaam. Van huis uit wordt ze vast geleerd hard te werken, omdat goede cijfers op de basisschool je toekomst beïnvloeden.

Onder het jurkje van Magdalena zie ik voorzichtig twee bolletjes verschijnen. Haar tepels zijn aan het groeien, als een eerste voorbode op de borstjes die daar binnenkort gaan verschijnen. De tepels zullen nu lichtpaars zijn en zacht als fluweel. Ik wil ze in mijn mond nemen en er zachtjes aan zuigen, de strakke huid van de welving met mijn handpalm strelen, liefhebben. ‘En het laatste woord, jongens: kóníngín.’
Ik ga aan mijn bureau zitten en zeg: ‘Schrijf je naam bovenin en leg het op mijn bureau als je klaar bent. Jullie mogen daarna gelijk vertrekken.’ Het is twintig minuten voor tijd, ik heb haast gemaakt en drie woorden overgeslagen. ‘Magdalena, wil jij even blijven zitten?’ Het meisje kijkt verschrikt op, herstelt zich snel en trek haar gezicht weer in plooi. ‘Natuurlijk, meneer.’
De leerlingen druipen een voor een af en verlaten het lokaal. Magdalena laat haar toets blad voor zich liggen en kijkt naar haar eigen handschrift. ‘Hoe gaat het met je?’ vraag ik om haar gerust te stellen.
‘Goed meneer, en met u?’
‘Ook goed, dankjewel.’ Ik glimlach even naar haar. ‘Sorry dat ik je hier hou, maar ik vroeg me af of je al ongesteld bent geworden.’ Het meisje valt volledig stil en wordt een standbeeld.
‘Ja meneer, dit weekend voor het eerst.’
‘Dat dacht ik al,’ zeg ik. Ik rook het, die weeë geur van opgedroogd bloed in katoen.
We blijven stil tegenover elkaar zitten, ik kijk naar in elkaar gevouwen handen op de lessenaar. Er wordt bloed naar mijn onderbuik toe gepompt en mijn ademhaling versneld. Het meisje is een vrouw geworden, weet ik nu. Dit is het moment waarop ik mag toeslaan, zo sprak ik jaren geleden met mezelf af. Als het meisje ovuleerd betekent dat haar lichaam zich klaar maakt voor het aanstaande moederschap. Voor de menstruatie blijf ik van de meisjes af, enkel in mijn hoofd mag ik ze bevredigen. Ze is rood aangelopen en kijkt strak voor zich uit, ze ondergaat het. Deze jonge vrouw is het toonbeeld van vruchtbaarheid, met haar langzaam verdwijnende kinderlijke trekken. Nu zijn ze het mooist, onschuldig en breekbaar. Ik zou haar ruggengraat strelen en zeggen hoe mooi ze is, eindeloos herhalen hoe mooi ze is.
‘Heb je vandaag nog gebloed?’ vraag ik.
‘Ja, meneer.’ De eerste keer dat ik dit lichaam onder mijn vingers wil voelen, moet ze schoon zijn, rein zelfs.
‘Dit blijft tussen ons, hè, Magdalena? Dit is ons geheimpje.’
Het meisje staat langzaam op, pakt haar tas en hangt hem om haar schouder.
‘Natuurlijk, meneer. Tot morgen.’
In haar voorbijgaan ruik ik haar nieuwe geur, de geur van een vrouw.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Jan Wolkers, Astrid Lindgren, Miranda July, Boris Ryzji, Stefan Zweig