Nieuwste onderwerp

Marley

Op het terras van de coffeeshop op het kruispunt zitten drie Bob Marleytypes een joint te roken en te genieten van de laatste drie zonnestralen van de dag.
Ik steek het zebrapad over naar Amsterdam Centraal.
Opeens loopt één van de Marleys naast me. Alles aan hem straalt ontspanning uit. Het rode Adidas vest dat losjes om hem heen hangt. Zijn laaghangende jeans, die er uit ziet alsof hij door het vele dragen zacht is gesleten. Zijn brede skateschoenen. ‘Mag ik zeggen dat jij er fantastisch uitziet?’ zegt hij. Hij glimlacht zo breed dat ik meerdere gouden kiezen kan zien. Ik besluit strak voor me uit te kijken.
‘Dat mag,’ zeg ik, ‘Dankjewel.’ Ik draag vandaag mijn hoogste hakken en een enkellange, strakke jurk. Ik doe dat omdat ik me er mooi in voel. Niet omdat ik wil dat willekeurige mannen vanaf een terras achter me aan komen rennen. Maar toch voel ik me gevleid.
‘Ben je van hier vlakbij?’ zegt hij.
‘Nee,’ zeg ik, ‘Ik kom van heel ver weg. Een trein, een vliegtuig, een bus, een taxi, en een roeibootje. Dan ben je er.’
‘Waar is dat?’
Ik maak gebruik van het feit dat ik nog steeds mijn koptelefoon op heb en doe alsof ik hem niet hoor.
‘Ik wil weten wat ze daar eten, wat ze daar doen, wie ze daar zijn, dat zo iemand als jij daaruit kan ontstaan,’ zegt Marley.
Ik word een beetje bang van al deze romantische poëzie van iemand die ik pas dertig seconde ken. Dus ik zeg iets wat klinkt als ‘Hmhmm?’
Hij drukt zijn telefoon onder mijn neus. Het menu waarin je een contact kunt toevoegen staat geopend. Hij moet dit al hebben voorbereid toen hij nog op het terras zat. Niemand komt zo snel bij dit submenu van een submenu. Misschien zit hij daar al de hele middag op het terrasje op het kruispunt, met zijn telefoon in de aanslag om het nummer te scoren van een meisje dat wel ingaat op zijn avances. Ik vraag me af wat aan mij hem de indruk heeft gegeven dat ik dat naïeve meisje ging zijn. Hoe hij denkt dat ik me na een paar dagen berichtjes over hoe mooi hij mijn ogen en mijn lach vindt zou laten overhalen om af te spreken. Hoe we dan in een café zouden zitten dat ruikt naar de belegen sigarettenrook van de avond ervoor. Om vervolgens tegenover hem te zitten en geen idee te hebben wat te zeggen, want eigenlijk zou ik er vooral zijn omdat hij mij leuk vindt en niet andersom. Ik vraag me af of het door mijn strakke jurk komt. Of door mijn hoge hakken. Ik vraag me af waarom ik me dat überhaupt moet afvragen.
‘Nee,’ zeg ik dus, ‘Dat gaat mijn man niet leuk vinden.’
‘Jouw man?’ zegt hij. De glimlacht zakt van zijn gezicht alsof ie er nooit geweest is.
‘Ja,’ zeg ik. Ik kijk nadrukkelijk recht voor me uit.
‘We kunnen ook niet praten,’ zegt hij.
‘Dat lijkt me een goed plan,’ zeg ik, ‘Hij staat daar bij de tram op me te wachten.’
‘Geniet van je weekend he?’ zegt Marley. Hij blijft stilstaan. ‘In dat mooie land waar jij vandaan komt.’
‘Veel plezier op je kruispunt,’ zeg ik.

« terug naar blog

One response to “Marley”

  1. Reintje

    Wat een heerlijke gedachtengang, dat je mooi bent omdat het land waar je vandaan komt, mooi is. Wat een joint al niet kan doen…dat beschrijf jij mooi.

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)