Nieuwste onderwerp

Tandpastagolf

Ik lig op het meest kiezelige strand aan de Middellandse zee.

Uit het tandpastablauwe water steekt één brokkelige rots omhoog. Het lijkt het overblijfsel van iets wat ooit een stenen pier was. Een onverwoestbare pier die leidde naar een visrestaurantje waar je kwam en niet eens hoefde te bestellen, want ze serveerden altijd wat er vandaag vers was. Of de pier naar de aanlegplaats van een boot die toen nog strak in de verf zat en dof glansde van bronstige golvenhonger.

Op deze brokkelige rots zit een oude man. Wankel stapje voor wankel stapje heeft hij de branding getrotseerd om zich toen met veel moeite de rots op te hijsen. En nu zit hij al een halfuur in de golven te staren. Hij drukt met zijn vinger in het hartje van een zeeblauwe spatader op zijn bovenbeen. Hij tilt zijn hangende buik op en laat hem los. Pakt hem vast en laat hem nog een keer los. Dan legt hij zijn handen berustend op de rots onder hem. Hij heft zijn hoofd op naar de blauwe lucht.

Het lijkt alsof zijn handen met de rots praten. Alsof hij en de rots elkaar even stevig omarmen en samen rouwen om hoe mooi alles is geweest. Om de absurd prachtige vrouwen die over de pier liepen aan de hand van de man. Om hoe hij het touw van zijn zelfgebouwde scheepje losknoopte van de kade. Om de onbezorgdheid van een lijf dat de hele wereld aankon. Om hoe hij jaren later niet eens meer in staat zou zijn om met zijn trilhanden zijn schoenveters te strikken. Om hoe zowel de man als de pier ooit geloofden dat alles mogelijk was. Om hoe ze nooit groter en beter zijn geworden dan ze waren op hun vijfentwintigste.

Er loopt een traan over de wang van de man. Hij sluit zijn ogen, maar veegt hem niet weg.

Ik waad naar hem toe door de branding en ga naast hem zitten. Hij houdt zijn ogen nog steeds gesloten. De traan is een zoutig, opgedroogd vlekje op zijn wang.

‘Waar wacht u op?’ vraag ik.
‘Op een golf,’ zegt hij.
Er slaat een golf tegen de rots aan. Maar de man blijft zitten.
‘Wat voor golf?’ zeg ik.
‘Die ene,’ zegt hij, ‘De laatste.’
‘Waar herkent u die aan?’
Hij opent zijn ogen en kijkt me aan. ‘Het is net als met liefde. Als het me overvalt zal ik het herkennen.’
‘En wat nou als het nog een maand duurt?’
Hij glimlacht naar me. ‘Dat is een vraag van iemand die nog te veel te doen heeft om gewoon te wachten.’
‘Ik kan wel met u wachten,’ zeg ik, ‘Gewoon een tijdje. En misschien komt er dan weer iemand anders om naast u te zitten.’
Hij glimlacht een rimpelige glimlach. ‘Dat lijkt me fijn,’ zegt hij.
We zitten in stilte op de rots. De golven stuwen onze voeten omhoog en omlaag.
‘Wel zeggen he?’ zeg ik, ‘Als die ene golf er is?’
‘Och meisje,’ zegt de oude man, ‘Maak je geen zorgen. Je weet niet half hoe ik het je gun om die te missen. Je weet het niet half.’

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)