Nieuwste onderwerp

Zielenkleien

‘Ben je eigenlijk wel eens in therapie geweest?’ vroeg Lola me laatst.
‘Neuh,’ zei ik, ‘Ik geloof dat ik best wel goed met mezelf door één deur kan.’
‘Herinner je jouw monoloog van laatst nog over jouw buitensporige control freakigheid?’ zegt Lola.
‘Toen was ik dronken,’ zeg ik.
‘Dus dat verhaal over alleen maar in je eentje kunnen koken omdat anderen het altijd verkeerd doen was onwaar?’ zegt Lola, ‘Dat je agressief wordt als iemand iets verplaatst in je kamer?’
‘Nou… nee. Denk ik. Maar het is niet alsof ik daardoor dagenlang mijn bed niet meer uitkom ofzo,’ zeg ik.
‘Maar dat moet je het juist doen!’ zei ze, ‘Iedereen heeft wel iets. En tegen de tijd dat je opeens in een depressie raakt ben je te laat.’

Ik ben toen toch maar eens gaan googlen. Lola heeft, als het op mij aankomt, bijna altijd gelijk. In het bijzonder als ik het gevoel heb van niet. Achteraf nodig ik haar dan vaak uit voor een etentje, en zeg ik voor de zoveelste keer dat ik de volgende keer écht beter naar haar zal luisteren.

Ik kom uit bij therapiecentrum Eigen Draai. De homepage wordt gevuld met een paar dromerige regels tekst over een diepere zelf, en een foto van een gigantisch veld zonnebloemen. Ik word er vrolijk en nieuwsgierig van, en besluit een afspraak te maken bij de meest mama-achtige therapeut die ze hebben: Jeanine.

Jeanine verft haar haren in vlammend zogenaamd natuurlijk rood en heeft borsten zo groot als mijn hoofd. Ze draagt van die ergonomische schoenen met een klitterbandje over je wreef en gifgroene stiksels.
‘Ga maar zitten waar jij je goed voelt,’ zegt ze als ze me haar therapiekamer heeft binnengelaten.
Ik kijk naar de vier appelblauw zeegroene plasticleren stoelen in de hoeken van de kamer. Daartussenin op de vloer zo’n speelkleed met het bovenaanzicht van een stadje met een kronkelige autotjesweg. Ik analyseer de psychoanalytische betekenissen van mijn potentiële keuzes. Een stoel bij haar bureau, een stoel bij het raam, een stoel in de speelhoek, en eentje recht voor me bij de deur.
Die bij haar bureau zal haar vast vertellen dat ik graag de baas ben en het liefst zelf de sessie wil leiden. Dat ik een ruwe bolster met een blanke pit ben, die komt voor hulp, maar zich zelfs dan niet wil overgeven. De stoel bij het raam zal me vast een melancholische escapist maken. Al was het maar omdat het raam op een kerkhof uitkijkt. De stoel in de speelgoedhoek zal me een snoezelige wegkruiper maken die graag vlucht in haar kindertijd. Even overweeg ik om midden op het speelkleed te gaan liggen, gewoon om te kijken wat ze zal zeggen. Ze straalt zo hard alles wat je doet is oké’ uit, dat ik zin krijg om daar de grenzen van op te zoeken. Uiteindelijk kies ik voor de stoel bij de deur. Deze stoel zal hooguit zeggen dat ik graag zo snel mogelijk weg wil kunnen gaan als ik me slecht op mijn gemak voel. En dat is waar. Dus ik ga zitten op de stoel voor de deur.
Als ik zit knikt ze plechtig. Verwachtingsvol kijk ik haar aan, wachtend op de psychoanalyse van mijn zitplekkeuze, maar ze zegt er niks over.

Bij één van mijn volgende sessies zit ik ook weer in de stoel bij de deur. Jeanine vindt dat we stappen zetten. Ze betrekt alles wat ik zeg op mijn ouders, en ik heb tot haar grote genoegen al één keer gehuild. Ze zegt dat ‘het grote loslaten is begonnen’.

Ze pakt een plastic tas van een speelgoedwinkel waar ik al zeker tien jaar niet geweest ben, en trekt er een doos met klei uit tevoorschijn. Het kleine Marliesje in mij slaakt een kreetje van geluk. Het is van die dure klei, waarbij iedere kleur een eigen geel potje heeft met een dekseltje in de kleur van de klei die er in zit.
‘Kies de kleur waar jij je goed bij voelt,’ zegt Jeanine. Ze legt de doos klei op mijn schoot en kijkt me aan over de rand van haar bril.
Ik kijk naar de doos en vraag me af hoe je je goed kunt voelen bij een bepaalde kleur klei. Of het iets magnetisch is, dat je hand er naartoe wordt getrokken. Of dat je even kippenvel krijgt als je de kleur ziet. Of dat je water in je mond krijgt als je de kleur aanraakt. Maar niks van dit alles gebeurt. Dus pak ik geheel willekeurig rood. De kleur die ik bij snoep altijd het meest vertrouw. Bovendien zegt die kleur vast van alles over de vastberadenheid in mijn zoveelste chakra.
Jeanine knikt veelbetekenend en begint druk te schrijven, tussendoor naar mij opkijkend. Ze wacht duidelijk op mijn eerstvolgende handeling.
‘Wat moet ik nu precies doen?’ vraag ik.
‘Dat ga ik je eens lekker niet vertellen,’ zegt ze, ‘Wat voel je?’
Irritatie, denk ik. Maar zoiets zeg je natuurlijk niet.
‘Zeg het maar gewoon. Niets is fout,’ zegt Jeanine.
‘Ik voel me geïrriteerd,’ zeg ik, ‘Ik heb geen flauw idee wat je nou precies van me wil.’
‘Ik wil helemaal niks van jou,’ zegt ze, ‘Het gaat er om wat jij van jou wil.’
‘O,’ zeg ik.
‘De frustratie die je nu voelt is niet vreemd. Je bent aan het boksen tegen jaren van gezagsgetrouwheid,’ zegt ze.
‘Ik zag mezelf zeker de laatste jaren als een relatieve rebel,’ zeg ik.
Ze glimlacht moederlijk, knikt, en schrijft iets op.
‘Mag ik vragen wat je opschrijft?’ zeg ik.
‘Dat mag je zeker,’ zegt Jeanine, ‘Maar ik ga het je niet vertellen.’
‘O,’ zeg ik, ‘Daar voel ik mij vreemd bij. Dat gaat toch over mij? Waarom mag ik dat niet weten?’
‘Je mag nu je ogen even sluiten, en diep ademhalen,’ zegt Jeanine, ‘Adem maar eens lekker diep in. Mooizo, prachtig. En uit. En verzamel nu bij je inademing al je frustratie en je irritatie. En laat het bij je uitademing maar allemaal lekker los. En zeg nu maar tegen jezelf: Ik ben ieder antwoord.’
Ik blijf diep in en uit ademen. Vraag me af hoeveel van onze vijfenveertig minuten er nog over zijn. Ik vraag me af wat het over mij zegt dat ik stuk klei in de kleur van haar haren heb gekozen. Ik vraag me af of haar haren smaken als rode winegums. Ik vraag me af waarom ik me dat afvraag. En dan vraag ik me af waarom ik hier in godsnaam zit als ik zelf ieder antwoord ben. En waarom ik iemand als Jeanine nodig heb om dat tegen me te zeggen. En waarom ik dit stuk klei niet gewoon tegen de muur smijt. En dan vraag ik me af waarom ik me dat überhaupt nog afvraag. Ik smijt het gele potje zo hard als ik kan recht voor mij uit.
Op het moment dat ik loslaat realiseer ik me dat ik recht voor een raam zit. Dat ik daar nu iets hards naar gooi. Ik doe mijn ogen open. Het potje stuitert tegen de ruit en barst uit elkaar. De verse rode klei kleddert alle kanten op. Een stukje spat op het brillenpootje van Jeanines bril.
‘Kut,’ zeg ik, ‘Sorry.’
Jeanines wangen kleuren hoogrood. ‘Prachtig!’ roept ze ‘Prachtig! Wat een vorderingen!’ Ze begint druk te schrijven.
‘Ik heb net een potje klei kapot gegooid tegen je raam,’ zeg ik, ‘En jij wordt daar blij van?’
‘Het gaat niet om de klei, het gaat om waar die klei voor staat!’ roept Jeanine uit.
‘O,’ zeg ik, ‘En wat is dat dan?’
‘Daar kom je vanzelf achter,’ zegt ze.
Ik sta op. ‘Ik denk dat ik maar eens ga,’ zeg ik.
Jeanine kijkt op haar horloge. ‘Moet je eerder weg?’ zegt ze, ‘Onze tijd is nog lang niet voorbij.’
‘Ik denk dat onze tijd hartstikke voorbij is,’ zeg ik. Ik loop naar de deur. ‘Ik geloof dat ik nu genoeg gezagsgetrouwheid kwijt ben om niet meer te komen.’
Jeanine heeft tranen in haar ogen. ‘Ga je een boek schrijven?’ zegt ze.
‘Hoezo?’ zeg ik.
‘Je zegt zulke rake dingen.’
‘Als ik mag lezen wat jij geschreven hebt,’ zeg ik.
‘En dát is precies waarom ik graag zou hebben dat je nog een paar keer terug komt,’ zegt ze.
Ik kijk naar de klei die aan haar bril hangt. Naar hoe ze dat niet lijkt te merken. Naar de wereld aan conclusies in haar blik waar ik geen flauw idee van heb. Neergekrabbelde conclusies die ik te horen zal krijgen in een toekomst die maar niet komt. Dan maar alleen koken voor de rest van mijn leven, maar dit nooit meer.
‘Dag,’ zeg ik.
‘Ik zal het lezen!’ roept ze.
Ik trek de deur achter me dicht.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)