Nieuwste onderwerp

Twaalfde

Er is een jongen die ik ken van in de lift. We wonen in hetzelfde gigantische gebouw op dezelfde verdieping.

Hij viel me aanvankelijk op omdat hij lang is. Maar toen ik een keer een zonnebril op had durfde ik hem echt aan te kijken. De meeste mensen in liften staan ongeduldig te zuchten. Of nog even met hun moeder te bellen voor ze op de fiets stappen. Of over hun timeline op facebook te scrollen om maar geen oogcontact te hoeven maken met de mensen die op dezelfde vierkante meter staan. Hij niet. Hij keek voor zich uit alsof hij over honderdduizend dingen aan het nadenken was.

Ik ben op een feestje in het gebouw waar ik woon. Ik drink alleen maar als ik dronken wil worden, en het is zo’n avond. Ik voel me licht en vrolijk en dans zonder er bij na te denken hoe dat er uit ziet. En dan staat hij opeens naast me bij de drankkoelkast.
‘Hoi!’ zeg ik. Ik bedenk me hoe ik dit nooit had gedaan als ik nuchter was. Hoe ik dat ergens een trieste vaststelling vind. Hoe ik anderzijds blij ben dat ik iets heb ontdekt waardoor ik meer avonturen meemaak.
‘He,’ zegt hij.
‘Jij woont toch ook op de twaalfde?’ zeg ik.
Hij knikt.
‘Volgens mij staan wij best vaak samen in de lift,’ zeg ik. Hij kijkt me aan. Kantelt zijn hoofd een beetje. En dan komt in mijn mistige brein opeens de gedachte op dat hij misschien wel helemaal geen idee heeft dat ik regelmatig naast hem sta op weg naar onze verdieping. Dat ik voor hem niet anders ben dan al die moeder bellende, zuchtende, te dicht in zijn personal space zwetende massa anonieme figuren in de lift. En dat ik over kom als een stalkende psychopaat en dat onze vriendschap hierdoor zo’n kansloze start heeft dat het er nooit van gaat komen.
‘Ja he?’ zegt hij, ‘Ik wilde een keer hallo zeggen, maar ik wist niet zo goed wanneer.’
‘Zullen we dat de volgende keer doen?’ zeg ik, opgelucht, ‘Hallo zeggen?’
Hij glimlacht. ‘Deal. Hoe heet je?’
Ik zeg mijn naam. Hij zegt de zijne.
‘Tot dan!’ zegt hij, en hij loopt terug naar zijn vrienden.

Ik stap in de lift. Ik kom net terug van een racefietstocht: een uur lang recht tegen de wind in over een kaarsrechte weg langs Schiphol rijden. De pure hel op aarde, maar ik wil over een maand weer een bikini aan durven trekken. Terwijl ik in de liftspiegels kijk bedenk ik me dat ik de uitdrukking zo rood als een tomaat niet zo goed begrijp. Dat ik er dieppaars uitzie. Alsof ik bosbessen op mijn gezicht heb uitgeknepen. Het paars van mijn gezicht vloekt een beetje met het lila van mijn nieuwe, nu nog te strakke fietspakje. Ik geloof er in dat over een paar weken fietsen het broekje los aan mijn lijf zal hangen, maar voor nu wil ik er nog niet in gezien worden.

De liftdeuren glijden dicht. Op het allerlaatste moment steekt iemand zijn hand tussen de deuren. Een jongen en een meisje stappen de lift in. Eerst ben ik opgelucht dat ik ze niet ken en hun blikken kan negeren. Dan realiseer ik me dat mijn fiets de halve ruimte blokkeert, waardoor we ongemakkelijk dicht op elkaar staan. Gelukkig kijken de twee hardnekkig op hun telefoonscherm in plaats van naar mij. Ik probeer zo min mogelijk te ademen. We wachten tot de deuren dichtgaan. En dan stapt hij de lift binnen. Met een zwaai van zijn lange benen stapt hij over mijn bagagedrager heen naar de lege helft. Ik kijk strak naar de grond. Frummel mijn nagels schoon achter mijn rug. Zie dat ik een stukje van mijn been ben vergeten te scheren. Veeg subtiel met de rug van mijn hand wat zweet van mijn voorhoofd. De jongen en het meisje stappen de lift uit op de vierde verdieping. We hebben er nog acht te gaan met z’n tweeën. Het wordt ontzettend stil. We staren allebei naar de muur ergens vlak naast elkaars hoofd.
‘Hallo,’ zeg ik, toch maar, en dwing mezelf hem aan te kijken. En te vergeten hoe ik er op dit moment uit zie.
‘He!’ zegt hij, ‘Ik wilde het net ook zeggen.’
‘Ik ben wel je naam vergeten,’ zeg ik, ‘Ik ben niet zo goed met namen als ik gedronken heb. En met gezichten. Maar jouw gezicht kende ik al.’
Hij lacht. ‘Jeff.’
‘Oja,’ zeg ik, alsof ik het me nu weer soort van herinner. Maar ik voel vooral een zweetdruppeltje langs mijn slaap naar beneden kruipen. Ik hoop dat hij het niet ziet.
‘Marlies was het toch?’
Ik knik. ‘Jouw hersenen trekken drank beter dan die van mij,’ zeg ik.
‘Ik drink niet,’ zeg hij, ‘Niet meer.’
‘O?’ zeg ik.
‘Lang verhaal. Als ik de volgende keer op de begane grond begin met praten haal ik het misschien net.’
De lift stopt. We zijn op onze verdieping. Hij moet links en ik rechts.
‘Nou…’ zegt hij.
‘Ja…’ zeg ik.
‘Tot de volgende keer.’
Ik knik. ‘Dan zeg ik hallo én dan weet ik je naam.’
‘Deal,’ zegt hij.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)