Nieuwste onderwerp

Chesterfieldvogel

Ik bel aan bij Meneer de B.

Tijdens de drie weken per jaar dat hij naar een mysterieuze vakantiebestemming vertrekt geef ik zijn katten te eten, en als ik op reis ben mogen mijn plantjes tussen de zijne staan. Hoewel we al drie jaar naast elkaar wonen ken ik zijn beesten beter dan hemzelf.

Maar nu zijn mijn eieren op en het vriest, dus ik ga liever naar Meneer de B. dan naar de supermarkt.

Hij doet niet open. Dat gebeurt wel vaker. Zoals altijd loop ik via de garage naar binnen. Meneer de B. vindt dat allemaal prima. Hij heeft zijn geheimen te goed verstopt om zich zorgen te maken over binnensluipers, zegt hij.

In zijn garage ruikt het naar het blikvlees voor de katten, muffe tuinkussens en het staal van de gereedschappen boven zijn werkbank. Ik trek de deur naar de woonkamer open.

…de zang is een stevige pu-tsjok pu-tsjok…
‘Meneer de B.?’
Ik hoor hem niet. Dus ik loop verder. Op het aanrecht staat een kraakwit bord met daarop een halve met pindakaas besmeerde boterham. Aan de putjes in de pindakaas te zien ligt die er al even.

Voetje voor voetje dring ik verder zijn domein binnen. Het is donker, de gordijnen zijn dicht. Ik heb nog nooit iets verdachts aan Meneer de B. gezien, maar toch heb ik het gevoel dat ik ieder moment op een kattenstaart of een babylijkje kan stappen.
‘Hallo?’
…als een knikker op een glasplaat tikt de lokroep…
‘Hallo…?’
En dan zie ik hem zitten, op zijn gebarsten Chesterfieldbank. Het pluizige grijze haar uit zijn oren. De geblokte blouse om het houthakkerspensje dat over zijn broekriem hangt. Hij heeft zijn ogen dicht.
De cd-speler staat op vol volume aan. ‘Een golvende groep kwetterende vogels, dat moeten wel kneuen zijn. De zang is een prettig aandoend gebrabbel met fluittonen.’
Hij beweegt niet. Verdomme. Hij beweegt niet.
Kneuen zijn op het eerste gezicht wellicht wat vaal, bij betere observatie blijken ze op een subtiele manier elegant gekleurd.
‘Meneer? Hallo?’
Voorzichtig leg ik mijn hand op zijn schouder. Geschrokken vliegt hij overeind.
‘Godvermiljaar!’
‘U leeft!’ zeg ik, om maar iets te zeggen. Omdat het me verbaasd.
‘Gij zijt hier!’ zegt hij, omdat het zo is.
‘Ik zag uw-… ik kwam…’
Hij legt zijn vinger op zijn lippen en pakt me bij mij pols. En dan begint de kneu te zingen. Een prettig aandoend gebrabbel met fluittonen, die cd heeft gelijk. Meneer de B. knijpt zijn ogen dicht en glimlacht gelukzalig.
‘Gij moest eens gewoon gaan zitten,’ zegt hij.
‘Maar ik kwam voor-…’
‘…-Die klein mannekes, die kwamen ook niet om te zingen. Die kwamen voor een vrouwke. Maar het schoonste wat er is heeft tijd nodig. Zet u.’
Dus ik ga zitten, naast hem op de gebarsten Chesterfield. En ik luister naar Groenlingen en Boompiepers.

‘Heeft u toevallig een ei?’ vraag ik vijf vogels later.
Hij grinnikt. ‘Van welke vogel had u er een gewenst alstublieft?’
We grinniken zachtjes door de zang van de spotvogel heen – ‘een nasala gie gie’.
‘Waar gaat u altijd naartoe op vakantie?’ vraag ik.
‘Komt ge nog een terug meeluisteren?’ vraagt Meneer de B.
Ik knik. Natuurlijk knik ik naar de man achter de beesten die ik al jaren eten geef.
‘Awel, dan is dat een verhaal voor een andere keer.’

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)