Nieuwste onderwerp

Mosjaren 2

Dit gaat weer over de jaren dat ik, zoals Annie M.G. Schmidt dat zei, een boomstronk met mos begroeid was. Net als bij haar duurde die periode ongeveer voort tot mijn twintigste. Daarna werd ik uiteraard een rockster, dat spreekt voor zich.

Tijdens mijn mosjaren was ik verslaafd. Betekent een suf doosje zijn niet juist intense braafheid? Jawel. Ik was dan ook verslaafd aan appels.

Ze moesten knapperig zijn. En friszuur. Geelgroen en dieprood. Nooit geel. Of knalgroen. Nooit slap op papperig. Als ik de geschikte appel niet vond at ik net zo lang andere dingen tot ik die appel wel vond. En soms was die onvindbaar. Tien zijn en een verslaving hebben brengt qua drugflow zo zijn complicaties met zich mee. Dus dan at ik dwangmatig borrelnootjes, ieder moment dat mijn ouders even niet keken. Of suikerpinda’s. Of chips. Of karamelblokken.

Naast de schoolpauze-appel, de appel-na-school en de appel-als-het-avondeten-op-zich-liet-wachten, ging ik het meest los in de avonduren.

Iedere dag na het avondmaal grabbelde ik een paar appels bij elkaar, en ging voor de televisie zitten. Ik sneed ze in flinterdunne plakjes en knabbelde ze van klein naar groot op. Terwijl ik dat deed keek ik naar programma’s die in de jaren zeventig zelfs al waardeloos waren. Vooral Skippy the bushkangaroo vond ik fantastisch. Tijdens mijn sprintje naar de garage voor een volgende vrucht deed ik zijn tongklakken na. En dat patroon voltrok zich avond na avond. Voor de televisie. Helemaal alleen. Zelfs als het vijfendertig graden was en alle kinderen uit de straat buiten speelden. Het kon me niks schelen. Ik leefde in een perfecte wereld en daar had ik niemand bij nodig.

Soms vraag ik me ook af hoe ik ooit ben opgegroeid tot een mens dat sociaal functioneert. Waarschijnlijk is mijn tandarts daarvoor verantwoordelijk. De man was Duits, en deed geen enkele poging om zijn zware accent of letterlijk vertaalde grappen te verdoezelen. Dat droeg helemaal niks bij aan de hiervoor genoemde persoonlijke ontwikkeling, maar het was wel hilarisch. Zo was hij aan het tanden tellen, jah?, toen hij mijn vader vroeg of hij eventjes naar de gang wilde gaan.

‘Heb jaij ein eetprobleem?’ vroeg hij.
Ik was tien en kende anorexia van bij Dokter Phil. Als we vroeg klaar waren met eten en Skippy nog niet begon keek ik daar wel eens naar. Alle anorexia patiënten waren zwaar opgemaakte hoopjes Amerikaanse ellende. Dus ik schudde geschrokken nee.
‘Drienk jaij viel coca cola?’ vroeg hij.
Weer schudde ik mijn hoofd.
‘Andere dränke mit viel kohlzuhr?’
Ik schudde nee. Niets kwam tussen mij en mijn appeldiksap.
‘Frehmd. Sehr frehmd. Andere zaken die jaij viel eet ob drienkt?’
‘Appels?’ zei ik, en giechelde onschuldig.
Hij glimlachte. ‘Dan muss jaij wel heel viel appels eten, jah?’
‘Dat valt wel mee hoor,’ zei ik. ‘Een kilo per dag ongeveer.’
Zijn mond viel zo ver open dat zijn onderlip onder zijn mondkapje uit kwam.
‘Ein hele kilo?’
‘Nouja… Soms ook iets meer. Dat ligt er aan wat er op tv is. En hoe groot het appelras is dat we hebben die week.’
‘Jaij moet stoppen, jah? Anders heb jaij keen gebit mehr als jaij twintig bent.’

En daar schrok ik van. Ik zou ooit twintig worden. En alle afleveringen van Lassie gezien hebben. En zoenen. En een eigen huis met een eigen bank en misschien wel helemaal geen tv hebben.

Ik realiseerde me daar bij tandarts Schöner dat ik wakker moest worden uit mijn appeldroom. Want wat nou als ik twintig werd zonder enig idee wat zich de afgelopen twintig jaar had afgespeeld in de wereld?

Dus ik kickte af. En dat was moeilijk, dus  vulde ik de leegte met een dwerghamster-obsessie. Ze hadden namen uit boeken die ik gelezen had, een eigen tijdschrift, relaties met de hamsters van mijn buurmeisje en een eigen munteenheid. En iedere hamster had een corresponderende sokpop. Maar dat is een verhaal voor een andere keer.

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)