Nieuwste onderwerp

Honey 2

We rijden over de kade voor het station.

Zij draagt een witte zonnebril met glazen in de vorm van hartjes. Ze pakte er ook eentje met grote ronde glazen voor mij uit het handschoenenkastje, en zei dat ik hem moest opzetten. Ik zei dat ik dat belachelijk vond. Dat het nacht was. Dat ik niet aan de drugs was en dat ik geen zonnebril ging dragen tegen het licht van de lantaarnpalen.
‘Nog niet’, zei ze toen.
Ik vroeg niet of ze het over de drugs of een bril dragen tegen lantaarnpaallicht had.
‘Jij wijst de weg, maar ik bepaal de spelregels,’ zei ze.
Ergens vond ik dat wel een geruststellende gedachte.

Dus nu zitten we naast elkaar in haar Chevrolet met witleren bekleding en dragen zonnebrillen. Ook al is het twee uur ‘s nachts.
‘We moeten links, links!’ roep ik.
‘Nee hoor,’ zegt ze, ‘Ik moet helemaal niks, Blondy.’
Het duurt even voor ik me aangesproken voel. Blondy. Dat ben ik vannacht. Ik zwijg.
Ze slaat een straat later linksaf. We passeren huizen met donkere ramen. Fietsen die al zolang roestend aan de gracht staan dat ze van niemand meer zijn. En dan een man in een badjas. Rood en wit gestreept. Op blote voeten. Terwijl de wind aan de auto rukt en het ongeveer tien graden is.
‘Moet je kijken!’ zeg ik.
‘Wat?’ vraagt Honey.
‘Die man in die badjas,’ zeg ik.
Ze glimlacht. ‘Die hoort bij de stad.’
‘Wat betekent da-…’ Honey trapt plotseling op de rem bij een terras waarvan er ongeveer tweehonderd zijn in Amsterdam. Stoelen van plastic riet. Terrasverwarmers. Fleecedekens van de IKEA.
‘Jezus!’ schreeuw ik, en schuif weer naar achteren in mijn stoel.
‘Dat,’ zegt Honey. Ze wijst op een groepje vrouwen die op het terras zit. Zo’n groepje vrouwen waarvan er ongeveer tweeduizend zijn in Amsterdam. Pandora-armbanden. Stijl haar. Scheuren in hun spijkerbroeken.
‘Wat?’ Ik zit nog steeds met mijn hoofd bij de blote voeten en de badjas. En bij mijn hoofd dat net niet de airbag raakte. Ik kijk naar de vrouwen.
Eén van hen krijgt een grote mand met cellofaan eromheen gewikkeld in haar handen. Ze lacht en knuffelt de vrouwen aan haar weerszijden.
‘Dat wil ik.’
‘Een groepje saaie vriendinnen dat je een mand vol douchegel voor je verjaardag geeft?’ vraag ik.
‘Een feest,’ zegt ze, ‘Voor mij.’
‘Ben jij jarig?’ vraag ik.
‘Maakt dat uit?’ Honey trekt op.
‘Wil je nog steeds naar die club?’ vraag ik.
‘Als ze daar voor me zingen,’ zegt ze.
‘En hoe oud ben je dan geworden, Honey?’
‘Vierenveertig,’ zegt ze vol overtuiging.
‘Rijd dan maar rechtdoor,’ zeg ik, ‘We zijn er bijna.’

We zijn bij Dansbar Babette en Honey wil niet in de rij staan.
‘Zo werkt dat hier,’ zeg ik.
‘Zo werk ik niet,’ zegt ze, ‘Meneer?’ Ze schuift tegen de uitsmijter aan en begint in zijn oor te fluisteren. Hij fronst. Hij grinnikt. Werpt een blik op mij en fronst dan snel weer. Hij stapt opzij om Honey en mij door te laten.
‘Wat heb je gezegd?’
‘Dat we professionele strippers zijn.’
‘Wát..?’
‘Hou je zonnebril maar op. Ze gaan ons zometeen aankondigen.’

« terug naar blog

Reageer

Wat lees ik?

Augusten Burroughs, Dimitri Verhulst, Jan Wolkers, gebruiksaanwijzingen, veiligheidsvoorschriften

Wat vind ik?

Een dobbelsteen in de blubber naast de tramrails. Een paraplu in mijn fietskrat. Een puntenslijper met twee ingangen naast mijn voordeur. Een baboesjkapoppetje in mijn brievenbus.

Wat kijk ik?

Man and chicken, Mary and Max, Harvie Krumpet, Catch me if you can, Chicken run, The never-ending story

Wat schreef ik?

Weekend Warriors (korte film, 2015). Watergames (korte film, 2015), Onderbeds (korte film, 2016). Takhil (korte film, 2016), Ministerie van Relatielegetimatie (Korte film, 2016), Anita's roedel (korte documentaire, 2018)

Quote

“Ik blijf mijn hele leven bij jou wonen.” Hij glimlachte. “Dat denk je nu.” “Dat blijf ik altijd denken.” “Ooit wil je hier weg. Dan wordt dit eiland te klein voor jou.” “Niet, het blijft hier altijd even groot.” “Maar jij niet.” “Dan begin ik een eigen eiland. Daar.” Ik wees met mijn want richting de plek waar het ijs overging in slobberende golven. “Als ik elke dag op dezelfde plek een kei gooi, dan komt daar vanzelf een eiland.” (Uit Birk, door Jaap Robben)